Waar zijn de hoeders van het literatuuronderwijs?

Door Sander Bax (Tilburg University), Marjolein van Herten (Open Universiteit), Erwin Mantingh (Universiteit Utrecht) en Theo Witte (Rijksuniversiteit Groningen).(Meesterschapsteam Nederlands – Letterkunde)

Het literatuuronderwijs is afgebrokkeld van een gezichtsbepalend en zwaarwegend onderdeel van het schoolvak Nederlands tot een ‘subdomein’ dat langzaam maar zeker naar de afgrond schuift. Ook bij de vreemde talen is er bijna niets meer van over. Op de opiniepagina van de NRC van 14 januari 2017 legt Christiaan Weijts dan ook de vinger op de zere plek: het literatuuronderwijs dreigt verdrongen te worden naar de marges van het voorgezet onderwijs. Een kwijnend bestaan ligt op de loer.

Die marginalisering is veroorzaakt door zwalkend beleid. Bij de invoering van het studiehuis in 1998 werd het cijfer voor literatuur van alle talen in de zak-/slaagregeling samengevoegd tot een apart vak letterkunde. Leerlingen konden toen dus op literatuur zakken. Enkele jaren later werd literatuur met andere ‘kleine’ vakken weggemoffeld in het combinatiecijfer. Weer later werd het ‘teruggegeven’ aan de afzonderlijke talenvakken, maar zonder de weging aan te passen. In de rapportenvergaderingen telt literatuur nauwelijks meer mee.

Bij Nederlands bepaalt literatuur nu samen met schrijf- en spreekvaardigheid en enkele keuzeonderdelen, de helft van het examencijfer. De andere helft, het centraal schriftelijk examen, bestaat enkel uit leesvaardigheid. In de praktijk betekent dit dat literatuur gemiddeld slechts 10% van het eindexamencijfer bepaalt. Twintig jaar geleden was dit nog 30%. Veel docenten worden vanwege het ‘schoolrendement’ door hun schoolleiding aangespoord vooral lestijd te steken in onderdelen die wél zwaar wegen. In leesvaardigheid dus. De examinering hiervan is al jaren omstreden. Desondanks bepaalt het voor 60% het eindcijfer (was 25%) omdat scholen het ook nog eens in het schoolexamen zijn gaan toetsen. Bij Engels, Frans en Duits gebeurde hetzelfde. Niemand heeft het literatuuronderwijs van deze neergang behoed.

Er moet dringend iets gebeuren om deze verschraling van het talenonderwijs te keren, zo luidde ook de boodschap van het Manifest Nederlands op school dat wij vorig jaar met steun van honderden docenten en vakwetenschappers publiceerden. Het voorstel dat Weijts in zijn stuk doet, lijkt aantrekkelijk, maar de bestendigheid van literatuur in het curriculum van havo en vwo is het meest gebaat bij inbedding in twee van de drie kernvakken (Nederlands en Engels). De geschiedenis leert dat het tot één vak samenvoegen van de Nederlandse literatuur met de literaturen van de andere talen en de kunstbeschouwingsvakken de positie van de literatuur juist aantast. De wereldliteratuur was onderdeel van ckv. Geschrapt. Het vak letterkunde stond sterk in de zak-/slaagregeling. Geschrapt. Poëzie was een verplicht onderdeel. Geschrapt. Taalkunde zou verplicht worden bij Nederlands. Geschrapt. Ambtenaren schromen niet om op eigen houtje problemen in een vol examenprogramma met een pennenstreek op te lossen. Anders doen schoolleidingen het wel.

Maar er is een veel belangrijker argument in te brengen tegen het betoog van Weijts: het literatuuronderwijs is cruciaal voor de revitalisering van het schoolvak Nederlands. Weijts gaat voorbij aan de door veel docenten en leerlingen geuite klacht dat Nederlands is verworden tot een saai vaardigheidsvak. Met het Manifest Nederlands op school hebben wij vorig jaar ingezet op de structurele versterking van de positie van literatuur. Het lezen, begrijpen en ook schrijven van gedichten en verhalen horen bij Nederlands (en Engels). We stellen dat het bij Nederlands moet draaien om bewuste geletterdheid, om taal- en denkvaardigheden die steunen op inzicht in taal, literatuur, cultuur en communicatie. Wij pleiten voor een curriculum waarin deze vakonderdelen vanzelfsprekend samenhangen.

Dit kan, zelfs mét behoud van Multatuli, en mét gemotiveerde leerlingen. Als er gewerkt wordt met een aanpak die aansluit bij de mogelijkheden en denkwereld van de leerlingen. AIs er verbindingen worden gelegd met andere onderdelen van het schoolvak. En als literatuur niet buiten de ‘gewone’ maatschappelijke orde wordt geplaatst als een domein waar alleen ‘gevoeligheid’ aan de orde is en waar het vooral gaat om ervaren, en dat je daarom volgens Christiaan Weijts niet zou hoeven te beoordelen. Integendeel, literatuur leert je nadenken over en reflecteren op de maatschappelijke orde, net als de betogen, beschouwingen, televisieprogramma’s en andere teksten die we in het schoolvak Nederlands behandelen.  Uit onderzoek is bovendien bekend dat het lezen van literatuur niet alleen belangrijk is voor de taalontwikkeling, maar ook voor de algemene vorming en ontwikkeling van een kritische geest. Literatuuronderwijs is bij uitstek geschikt om een belangrijke plaats in te nemen in een curriculum waarin steeds meer aandacht is voor Bildung en burgerschapsvorming.

Docenten, vakdidactici en vakwetenschappers kunnen het literatuuronderwijs samen van de ondergang behoeden, stellen wij in het Manifest Nederlands op school. Daarvoor zijn wel nieuwe examenprogramma’s, lesmaterialen, scholing en onderzoek nodig. Het animo van docenten hiervoor is groot, is ons het afgelopen jaar gebleken en dat stemt hoopvol. Niet alles wat van waarde is, hoeven wij weerloos ten onder te laten gaan.