Het laatste restje poëtische vorm

Door Marc van Oostendorp

prosody-of-free-verse-explorations-in-rhythm-by-richard-andrews-1317615050Wat maakt een gedicht tot een gedicht? Misschien, zegt de Britse hoogleraar Richard Andrews in zijn nieuwe boek A Prosody of Free Verse, dat het uit regels bestaat.

Zoals de titel van het boek al zegt, gaat het Andrews vooral om het vrije vers. Daarin vind je per definitie geen vast aantal lettergrepen en geen regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde klinkers. De regels zijn immers ‘vrij’. Maar het zijn wel nog steeds regels.

Ik geloof dat die Andrews er verder niet zo goed uitkomt. Hij haalt er misschien te veel bij, er is bijvoorbeeld een hoofdstuk over dans, waarin dan bijvoorbeeld omstandig wordt uitgelegd wat voor moeite choreografen doen om hun ideeën te noteren, maar wat dit uiteindelijk opheldert over het vrije vers is niet duidelijk. Ja, Andrews wil een theorie zoeken in de theorie van de embodied cognition (ruwweg, het idee dat al ons denken, ook het meest abstracte wordt bepaald door het feit dat wij een lichaam hebben en niet alleen een brein zijn), maar welk heil hij daarvan precies verwacht, wordt niet duidelijk, en eigenlijk ook niet welke bijdrage dat idee nu precies bijdraagt aan zijn uiteindelijke analyse.

Maar dat idee van de regel, daar zit wel wat in.

Los van de gewone structuur

Gedichten onderscheiden zich van proza of van gesproken taal doordat er een extra laag van organisatie is. In klassieke poëzie betekent dit dat er groepjes van een beklemtoonde lettergreep gevolgd door een onbeklemtoonde worden afgebakend, of dat woorden allemaal met dezelfde klanken beginnen of op dezelfde klanken eindigen – alliteratie of rijm.

Poëtische taal is met andere woorden taal met een extra niveau van organisatie, een die alleen uit vorm bestaat, los van de betekenis en los van de ‘gewone’ taalkundige structuur van lettergrepen, woorden, woordgroepen en zinnen.

Andere modus

Het vrije vers heet ‘vrij’ omdat het weinig van zulke structuren gebruikt. Maar het is nog steeds geen proza omdat het een minimale hoeveelheid structuur blijft bestaan: die van de versregel, die niet precies overeenkomt met syntactische grenzen. Volgens deze definitie is een tekst waarin je iedere zin op een aparte regel zet dus geen vrij vers, omdat dan syntactische en poëtische grenzen precies één op één staan.

Zo’n benadering roept wel allerlei vragen op. Waarom is de regel het laatste bastion? Waarom hebben de dichters in plaats daarvan niet bijvoorbeeld vastgehouden aan de regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen terwijl ze de regel lieten vallen? Komt dat misschien doordat grotere organiserende eenheden minder dwingend voelen?

Hoe dan ook lijkt enige abstracte organisatie essentieel voor poëtische vorm. Juist de willekeur van die vorm brengt de lezer in een andere modus: je gaat op andere dingen letten die je normaliter niet opvallen.

Richard Andrews. A Prosody of Free Verse. Explorations in Rhythm. New York and London: Routledge, 2017. Meer informatie bij de uitgever.