Etymologie: kwijten

Door Michiel de Vaan

kwijten ww. ‘afhandelen’

Vmnl. quiten ‘vrijlaten, vrijwaren, afkopen’, hem quiten ‘zich vrijpleiten, zich kwijten van’ (1237). Meestal zwak maar ook eenmaal sterk (dat mise af quete ‘dat men ze af zou kwijten’, 1248–1271). Ook diverse afleidingen, zoals avequiten, quitenesse en quitinge. Vanaf de zestiende eeuw worden verleden tijd en voltooid deelwoord bijna uitsluitend sterk gevormd.

Uiteraard verwant aan kwijt ‘verlost van’. Bij beide is de vraag of ze direct aan de Oudfranse woorden quit(t)e ‘verlost’ en quit(t)er ‘vrijmaken van een verplichting’ zijn ontleend, of aan middeleeuws Latijn quītus ‘onbetwist, onbelast, vrij van een juridische of financiële verplichting’, een nevenvorm van klassiek Latijn quiētus ‘rustig’. Vanwege de bewaring van de w, die in het Oud-Frans al weg was gevallen (behalve in Waalse dialecten), maar die in alle Germaanse talen aanwezig is, is de tweede hypothese waarschijnlijker. Een tussenoplossing is aan te nemen dat kwijt en kwijten weliswaar aan het Frans werden ontleend, maar dat kw- werd ingevoerd in het bewustzijn van de technische Latijnse termen.

Vgl. Middelnederduits quīten, Mhd. quīten, Mohd. quitten ‘voldoen’, Middelengels quiten, cwiten ‘schuld inlossen’, MoE quit ‘verlaten’.