APT: een ‘grap’ of taalkundig interessant?

Door Kristel Doreleijers,
student Neerlandistiek aan de Universiteit Utrecht

in samenwerking met Roos Hamelink en Noortje Smits

badmeesterIedere zomer vertrekt een groep van ongeveer 24 jongens van het Utrechtsch Studenten Corps voor negen weken naar Texel om daar als badmeester te werken. Rode zwembroeken, spijkerblouses (die NIET gewassen mogen worden) en veel bier zijn de ingrediënten voor hun periode op het eiland als ‘bademeisters’. Maar hun uiterlijk en studentikoze gedrag is niet het enige wat de jongensgroep zo’n opvallende verschijning maakt. De bademeisters spreken immers ook een eigen taal: Algemeen Puur (of Plat) Texels (APT).

Op 19 april 2015 wordt op NPO 3 de teledocumentaire Bademeisters uitgezonden. De documentaire is een observatie van de jongens: ‘de Texelse boys’. Wat doen zij tijdens hun opleiding en hun werk als badmeesters? Filmregiseusse Judith van Leeuwen wilde de bademeisters vastleggen zonder een expliciet oordeel te geven. ‘Ze spelen een spel, het is een initiatieritueel waarbij de vraag is hoe zij zich eigenlijk tot de badgasten verhouden: zijn zij er voor de badgasten of zijn de badgasten eigenlijk pionnen in hun spel?’

Gefascineerd

Terwijl ik de documentaire bekijk, maak ik voor het eerst kennis met de bademeisters. Mijn aandacht wordt getrokken door hun taalgebruik. Ik moet erg mijn best doen de jongens te verstaan en heb de ondertiteling hard nodig. ‘Je wil toch bademeister worden, hoezo ben je dan zo’n ontzettende porloze stiefel? Vier minuut viefentwintig benne echt nergens op toe slaans hè.’ Zo moppert de MDP (Meneer de President – ‘de baas’, opleider) tegen één van de jongens, nadat deze een test heeft afgelegd waarbij hij zo snel mogelijk van de badehause richting het strand en weer terug moest rennen. Gefascineerd spoel ik het fragment herhaaldelijk terug.

Porloos (‘zonder overgave’), stiefel (‘loper’): de bademeisters lijken warempel over een eigen lexicon te beschikken. Vijfentwintig, viefentwintig: ook fonologisch lijkt hier iets gaande! En dan de werkwoorden: benne en toe slaans wijken structureel af van het Standaardnederlands. Is het een taalgeintje, als onderdeel van het ‘spel’ waar Judith van Leeuwen het over heeft? 

In mijn ogen is hier vanuit een taalkundig perspectief meer aan de hand. 

Om dit standpunt te onderbouwen ben ik op onderzoek uitgegaan. Dit onderzoek stokte echter al vrij snel. Er is op de documentaire na nauwelijks iets bekend over de bademeisters en al helemaal niet over de taal die zij spreken. Ook bleek dat slechts weinig studenten uit het Corps bereid zijn om iets los te laten. Aan de hand van de enkeling die dit wél wilde doen, de teledocumentaire en een almanak van het Corps uit 2012, is enige beeldvorming desondanks mogelijk.

De bademeisters

Eind jaren ’40 waren er nogal wat studenten voor wie het lidmaatschap bij het Utrechtsch Studenten Corps te duur was. De senaat kwam aan deze studenten tegemoet door een werkkamp in de Noordoostpolder te organiseren. Zij moesten in de zomermaanden eenvoudige werkzaamheden verrichten in ruil voor een subsidie om hun lidmaatschap te bekostigen. Het werkkamp verhuisde in het midden van de jaren ’50 naar Texel. De studenten gingen daar werken als parkeerwachten, ijsverkopers en bollenrooiers. Toen in de tweede helft van de jaren ’50 het toerisme op Texel sterk toenam, steeg ook het aantal badgasten en ongelukken op het strand. De gemeente Texel begon met het inschakelen van een strandwacht, waarbij het werkkamp van het Utrechtsche Corps betrokken werd. Vanaf de jaren ’60 hielden de studenten (vanaf toen ‘bademeisters’) zich alleen nog maar bezig met het bewaken van het Texelse strand.

In de beginjaren stond het werkkamp ook open voor studenten uit andere steden die in aanraking waren gekomen met het Corps. Iedere zomer bezochten zo’n 150 studenten het eiland om de opleiding tot badmeester te volgen. Bij hun werkzaamheden werden de studenten aangestuurd door een werkkampcommissie. Deze bestond uit ongeveer acht man en had de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat er tijdens de maanden juni, juli en augustus ten minste twintig leden aanwezig waren om de stranden te bewaken. Iedere ‘nieuwkomer’ werd begeleid door een ouderejaars met meer ervaring.

Toen eind jaren ’80 de studiedruk toenam en de zomervakantie korter werd, was het voor de commissie lastiger om voldoende badmeesters te werven voor de zomermaanden. De commissie werd daarom uitgebreid tot twintig man en het aantal strandposten dat door het werkkamp werd bewaakt, werd teruggebracht naar vier. Er waren nu buiten de commissie geen gewone leden meer nodig om die posten te bewaken. Studenten zouden in te toekomst voor het werkkamp gevraagd worden via een mysterieuze ontgroening en twee jaar op rij de reis naar Texel maken.

Identiteit

Omdat het werkkamp vanaf eind jaren ’80 alleen nog toegankelijk was voor ongeveer twintig leden van het Utrechtsche Corps, ontwikkelde zich onder de badmeesters geleidelijk aan een sterke groepsidentiteit. De bademeisters gingen de unieke aspecten van hun verblijf op Texel uitvergroten. Ze begonnen met het dragen van een eigen kledinglijn, ieder van hen kreeg een vaste post toebedeeld en ze ontwikkelden een eigen taal. Die taal noemden ze in eerste instantie ‘Algemeen Plat Texels’ en was zo ontworpen dat ze niet verstaanbaar was voor buitenstaanders. In de loop der jaren veranderde de naam in ‘Algemeen Puur Texels’, waarbij ‘puur’ staat voor ‘hij die altijd standhoudt’. De vorm die het werkkamp eind jaren ’80 aannam, is tot op de dag van vandaag ongeveer hetzelfde gebleven.

Imitatie

De taalvariant APT is dus eind jaren ’80 ontstaan, toen het werkkamp nog louter uit leden van het Utrechtsche Corps bestond. Aangezien er sinds die periode jaarlijks 20-24 jongens naar Texel reizen, heeft APT momenteel ongeveer 300 sprekers. Zij hebben de taal allemaal op Texel geleerd. Daarnaast wordt APT in Utrecht deels overgenomen, bijvoorbeeld door huisgenoten. Vrienden (zoals jaarclubgenoten) moeten de taal bovendien spreken wanneer ze de bademeisters in de zomermaanden bezoeken. Bepaalde woorden en uitdrukkingen worden zo door andere leden van het Corps overgenomen. Sommige ‘locals’ op Texel, zoals de cafébaas van het stamcafé van de ‘Texelse boys’, zijn de taal gaan overnemen doordat ze veel in contact staan met de jongens. Ook meisjes van de Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging (Nieuwe Vereniging van Vrouwelijke Studenten) nemen woorden uit APT over.

En ook de bademeisters zelf leren van elkaar door ‘imitatie’. APT is een gesproken taalvariant met nagenoeg géén schriftelijke traditie. Er zijn enkele almanakken van het Corps waarin teksten in APT-stijl zijn geschreven, maar op die teksten na is APT niet op schrift gesteld. Vanaf het moment dat de jongens voor het werkkamp worden gevraagd, moeten ze de taal onder de knie zien te krijgen. Daarom proberen ze vaak direct APT met elkaar te spreken, als een ‘onderdompeling’ in de praktijk.

rennen

‘Zelf poensj’

Toekomstige bademeisters komen vaak al eerder met APT in aanraking, omdat ze de Texelse boys kennen van studentenhuizen, borrels en speciale weekenden. Ze moeten dan goed opletten, want als de zomer is aangebroken, krijgen ze geen taallessen. Ondanks dat er geen grammatica’s of woordenboeken bestaan waarin ze dingen kunnen opzoeken, wordt van de bademeisters verwacht dat ze binnen één week APT spreken. Als ze dan aan het begin van hun verblijf een fout maken, is dit nog niet zo erg. Ze worden dan verbeterd door ouderejaars. Later doen ze echter aan ‘zelf poensj’: ze moeten zichzelf een klap op de borst geven en als deze niet hard genoeg is, doet iemand anders het.

In-group vs. out-group

De geheimzinnigheid rondom APT en de hoge eisen die aan de sprekers worden gesteld, geven de taal intern veel prestige. De bademeisters voelen zich een aparte groep en vinden het prettig om onderling ook een andere taal te spreken. Hun taal en kledingstijl zijn onderdeel van hun gedeelde social practice. De jongens indexeren hun taalgebruik als ‘stoer’. APT is daarmee een belangrijke identiteitsmarkeerder en kan geclassificeerd worden als een in-group spreekstijl. De bademeisters spreken onderling, in groepsverband, altijd APT. Op die manier kunnen ze laten zien dat ze onderdeel zijn van de groep en zich tegelijkertijd onderscheiden van sprekers die niet bij die groep horen.

In interactie met buitenstaanders, zoals toeristen op het strand, zullen de bademeisters daarom juist naar het Standaardnederlands switchen. Bovendien lijkt het gebruik van APT domein- en onderwerpsafhankelijk. Als één van de bademeisters op Texel ziek wordt en een huisarts moet bezoeken, dan wordt hierover (ook binnen de groep) in het Standaardnederlands gecommuniceerd. Wanneer de bademeisters in gesprek zijn met huisgenoten in Utrecht die niet op Texel zijn geweest, dan worden er soms wel enkele woorden uit APT gebruikt, maar écht APT spreken ze alleen onderling.

De jongens die niet op werkkamp gaan vinden het desalniettemin interessant wat er allemaal op Texel gebeurt. Ze vinden het juist ‘mooi’ als ze ook APT beheersen. Ze doen er weliswaar lacherig over, maar geven APT tegelijkertijd veel covert prestige. Niet-studenten blijken juist neerbuigend tegenover te taal te staan. Door de recente negatieve publiciteit rondom studentenverenigingen en ontgroeningen kleeft er voor hen juist een negatief prestige aan APT. Voor de ‘locals’ op Texel gaat dit helemaal niet op. Zij worden groot in een omgeving waarin ze veelvuldig in contact staan met de bademeisters, die volgens hen goed werk verrichten op het strand. Ze waarderen APT hoog en beginnen de taal zelf ook te spreken.

Sociolinguïstische inzichten

Tot zover lijkt APT dus wel degelijk verder te reiken dan een ‘taalgeintje’. De taalvariant is zowel geografisch – Texel – als sociaal georiënteerd. Doordat het taalgebruik van de bademeisters sterk samenhangt met hun groepsgevoel en het creëren van een eigen groepsidentiteit, kan APT interessante inzichten opleveren over de sociale aspecten van taalgebruik. Hoe zetten individuen hun taalgebruik in om zich (in een bepaalde setting) te onderscheiden van anderen of juist om ‘erbij te horen’? Daarnaast nemen ook niet-groepsleden APT over als een vorm van ‘crossing’: sprekers hanteren een stijl die eigenlijk niet bij hen ‘hoort’. APT doet in dit kader sterk denken aan multi-etnolecten, waarbij jongvolwassenen met verschillende etnische achtergronden bij elkaar komen en elementen uit immigrantentalen combineren met de dominante taal van de samenleving.

De bademeisters hebben echter een gedeelde etnische achtergrond en komen niet in aanraking met migranten op het strand van Texel. Ze komen daarentegen wel in contact met toeristen die andere talen spreken. Het is op dit punt zinvol om de term ‘taalvariant’, die ik inmiddels al veelvuldig heb gebruikt, nog eens aan te stippen. APT staat immers niet los van het Nederlands, maar combineert het Nederlands juist met elementen uit het Duits, Engels en Texels. Wellicht is APT zelfs een variant van het dialect zoals dat op Texel wordt gesproken (daar heb ik in dit stadium nog geen onderzoek naar gedaan). Het is in ieder geval duidelijk dat APT ook een contacttaal is door de mate waarin verschillende talen met elkaar gecombineerd worden. Daarbij is het misschien nog wel meer een spreekstijl dan een ‘lect’, omdat het gebruik van APT beperkt is tot bepaalde domeinen, gespreksonderwerpen en gesprekspartners. De sprekers zijn vaardig in het switchen tussen APT en het Standaardnederlands: ze kunnen bewust voor een bepaalde spreekstijl kiezen.

Lexicon

Tijd om eens verder op APT in te zoomen. De invloeden uit het Engels en Duits zijn goed merkbaar in de woordenschat van APT. De taalvariant bevat zowel zuivere leenwoorden (bijvoorbeeld het Duitse pronomen du, het Duitse werkwoord gehen of het Engelse zelfstandig naamwoord beach) als verbasteringen (bijvoorbeeld het Duitse badehause voor badmeestershuisje). Ook komt het voor dat een woord al wel bestaat in het Standaardnederlands, maar dat het in APT een totaal andere betekenis heeft gekregen (bijvoorbeeld product voor ‘kind’).

Daarnaast spelen nieuwvormingen een erg grote rol. Elk jaar komen er nieuwe woorden bij. Om een woord toe te voegen aan APT moet er toestemming worden gevraagd aan de Commissaris APT. Dit is een functie die elk jaar wordt doorgegeven aan degene die de taal het beste beheerst. De sprekers proberen voor zoveel mogelijk Nederlandse woorden een APT-variant te bedenken, vooral voor zelfstandige naamwoorden (inhoudswoorden). Soms zijn ze wel een hele week of zomer bezig met het verzinnen van een nieuw woord, dat vooral ‘leuk’ en ‘grappig’ moet zijn om onderdeel uit te kunnen maken van het lexicon. Uitkomsten zijn vaak erg creatief. Zo betekent de uitdrukking sjef toedréé machinata in APT ‘regenwolk’. Het woord sjef betekent ‘neger’, maar het partikel toedréé draagt de lezer op om de vertaling om te draaien, waardoor ‘neger’ verandert in ‘regen’. Machinata betekent in APT ‘degene die iets maakt’. Ambiguïtiet is dus onvermijdelijk: sjef toedréé machinata kan net zo goed ‘douche’ betekenen.

Taalstructuur

APT vertoont opvallende fonologische variatie ten opzichte van het Standaardnederlands met betrekking tot diftongen. De /ij/ klank wordt uitgesproken als /ie/ en de /ui/ klank als /uu/. De bademeisters gaan ’s avonds na het werken niet ‘zuipen’, maar toe zûûpens. Daarmee wordt meteen een tweede belangrijk verschil duidelijk: de infinitief. APT maakt meer gebruik van de infinitief dan van vervoegde werkwoorden. ‘Waar ben/sta je?’ wordt waar ben je toe staans? en ‘je probeert’ wordt du ben toe probeers. Opvallend daarbij is de verandering van ‘te’ naar toe en de toevoeging van een suffix -s aan de infinitief. Er zijn daardoor meer beknopte bijzinnen in APT. Desondanks is de woordvolgorde van de hoofdzin (met het werkwoord op de tweede plaats) overeenkomstig met het Standaardnederlands.    

Het werkwoord ‘zijn’ – benne – kent twee vervoegingen in APT: benne en ben. Combinatie met een ander werkwoord komt vaker voor dan in het Standaardnederlands. Een vorm als benne het check als ik even toe binnen kommens benne? (‘is het goed als ik even naar binnen kom?’) is prima grammaticaal in APT. Ook wordt benne soms gecombineerd met een werkwoord uit het Duits. Het gezegde kan dan vertaald worden in de tegenwoordige tijd (Zeker als je naar de beach ben gehen – ‘Zeker als je naar het strand gaat’). Een Duits werkwoord kan ook als voltooid deelwoord functioneren (Hoe kan je nou iets niet hebbe sehen? – ‘Hoe kan je nou iets niet hebben gezien?’).

APT vertoont ook morfologische variatie met betrekking tot een speciaal prefix -fop en een partikel deluxe voor het aantonen van semantisch verwante woorden. Ploert is ‘zee’, fopploert is ‘water’ en fopploert deluxe is ‘bier’. Soms lijkt er een hiërarchische betekenis achter schuil te gaan, een soort vergrotende of overtreffende trap. Zo wordt met het woord slavin een moeder aangeduid en met slavin deluxe een oma. Ook kan het prefix -fop worden ingezet voor het maken van een onderscheid in bezitsrelaties. Door het vóór een woord te plaatsen, kan worden uitgedrukt dat het object van anderen is en niet van de bademeisters zelf (bijvoorbeeld tank voor de eigen auto en foptank voor de auto van iemand anders).

Een taalkundig interessante grap!

Omdat APT een erg jonge taalvariant van het Nederlands is, is deze juist de moeite waard om te bestuderen in taalkundig onderzoek, of het nu met een ‘grapje’ is begonnen of niet. Want, ook als de bademeisters hun taal zelf verzinnen, kan dat ons iets vertellen over taalvariatie op microniveau. Is hun variatie oneindig of houden ze zich in hun creaties toch aan bepaalde taalstructurele ‘regelmatigheden’? Synchroon onderzoek naar APT kan ook inzichten bieden in de verspreiding van linguïstische varianten onder sprekers. Elk jaar, met ieder werkkamp, komen er nieuwe sprekers bij. Texel is een eiland, waardoor taalcontact minder waarschijnlijk is, maar de Utrechtse studenten verblijven er niet permanent. APT kan zich zodoende ook onder niet-groepsleden gaan verspreiden, zoals nu al een beetje het geval is.

Als steeds meer mensen APT positief gaan waarderen, dan kan dit er bovendien toe leiden dat de taal op schrift wordt gesteld in spelling- en grammaticadocumenten en woordenboeken. APT kan zich dan over meerdere domeinen verspreiden. Bovenal neemt onderzoek naar APT, door het combineren van sociolinguïstisch en taalstructureel onderzoek, een interdisciplinaire vorm aan. Taalstructurele variatie krijgt een sociale betekenis. En daarmee heeft het taalkundig variatieonderzoek er een interessante casus bij!

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.