Linkse politiek en taalwetenschap

Door Marc van Oostendorp

imagesIn het begin begreep ik niet welk probleem de Britse antropoloog Chris Knight nu precies wilde oplossen in zijn nieuwe boek Decoding Chomsky. Wat viel er te decoderen? Ja, hij legt in het begin vrij duidelijk uit dat het gaat over een kwestie die anderen ook bezighoudt. Maar die kwestie heb ik ook nooit echt begrepen: hoe is het mogelijk dat Noam Chomsky beroemd is om twee soorten boeken: over taalwetenschap en over internationale politiek?

Ik zou zeggen: sommige mensen hebben nu eenmaal een brede belangstelling, en het is een beetje vreemd om dan per se te willen dat hun liefhebberijen met elkaar in verband staan. Ik kan bijvoorbeeld niet onverdienstelijk stamppot maken, maar men moet mij niet komen vragen wat er overkoepelend is aan mijn taalwetenschap en mijn hutspot. Ik maak ze allebei, dus ik ben het verband,dat is het hele antwoord, en het is ook mutatis mutandis het antwoord dat Chomsky geeft. Het enige verschil is dat hij zoveel energie, talent en concentratie heeft dat hij met allebei zijn belangstellingen wereldberoemd is geworden. Dat kun je op zichzelf dan weer een raadsel noemen, hoe komt iemand zo, maar daar gaat Knights boek niet over.

Proletariërs

Gaandeweg wordt duidelijk wat Knight dwars zit: Chomsky is een anti-sociaalwetenschapper, het tegenovergestelde van Knights eigen ideaal. Voor Knight is een goede wetenschapper ook een beetje activist en een goede activist ook een beetje wetenschapper. Chomsky heeft die compartimenten in zijn leven allebei zorgvuldig gescheiden. Zijn taalkunde heeft geen enkele rechtstreekse toepassing in de zogeheten ‘echte’ wereld, laat staan dat het kan bijdragen aan de wereldrevolutie. Chomsky’s wetenschappelijk werk is een abstract bouwwerk waar je echt wel even op moet studeren voor je het in de vingers hebt. Zijn activistische werk is daarentegen heel duidelijk (zij het een beetje saai, maar daar hoor je Knight niet over) en wars van alle wetenschappelijke pretentie. Hij verwijst heel veel, maar vooral naar journalistiek werk en officiële stukken.

Dit nu staat Knight niet aan. Hij bewondert Chomsky om zijn activisme, maar het drijft hem tot wanhoop dat zijn held zich niet de hele tijd op Karl Marx beroept. Van de taalkunde begrijpt hij helemaal niets en hij heeft ook niet de moeite genomen er helemaal in door te dringen (over die taalkunde, niet alleen die van Chomsky, zegt hij regelmatig dingen die er nét naast zijn).

Hoe kan iemand die aan de goede kant staat (een socialist!) nu een taaltheorie ontwerpen waarin taal los wordt gezien van de gemeenschap en die bovendien niet eenvoudig door proletariërs te begrijpen is?

Vrijheid van meningsuiting

Hoewel Knight aan het begin beweert dat hij als een antropoloog te werk gaat – en dus zonder vooroordeel probeert binnen te dringen in de wereld van Chomsky en de Chomskyanen – zijn zijn antipathie en zijn ideologische overtuiging uiteindelijk groter dan zijn wil om echt te begrijpen. Of misschien moet ik het anders zeggen: hij heeft niet door dat zijn wil om te begrijpen misplaatst is, dat er misschien weinig te begrijpen valt. Er hoeft geen overkoepelende theorie over de verschillende interesses van Chomsky te komen, want Noam Chomsky is een mens en daarom een vat vol tegenstrijdigheden.

Knight heeft daarenboven weinig geduld voor Chomsky’s regelmatig geopperde idee dat sommige, zelfs heel eenvoudige, vragen misschien wel nooit beantwoord zullen worden omdat de menselijke intelligentie daarvoor misschien niet toereikend is. Of zijn idee dat de werkelijkheid sowieso dermate ingewikkeld is dat we niet kunnen pretenderen dat we haar zullen begrijpen: we kunnen hooguit theorieën opstellen die we wél kunnen begrijpen. Alles wat we te weten willen komen, zullen we ooit weten, denkt Knight. Inclusief dus wat het verband is tussen syntaxis en oppositie tegen de oorlog in Vietnam.

Ivorentorennonsens

Dus komt Knight met een theorie die op een bepaalde manier wel interessant is voor iemand die niet zo thuis is in de gedachtewereld van de vroeg-21e-eeuwse marxistische intellectueel, maar ook moeilijk na te vertellen.

De psychologie van de mens Chomsky speelt hierin een belangrijke rol. Volgens Knight moet Chomsky altijd gebukt zijn gegaan onder het feit dat hij, als anarcho-socialist, bij het voor een belangrijk deel door het Pentagon betaalde Massachussetts Institute of Technology (MIT) werkte. Chomsky heeft zich daarom in tweeën gesplitst. Zijn wetenschappelijke werk moest zo min mogelijk met de echte wereld te maken hebben, zodat de oorlogsindustrie er geen gebruik van kon maken. Het Pentagon vond dat bovendien fijn omdat op die manier een heleboel intellectuele energie van jonge geleerden werd gericht op volkomen ongevaarlijke ivorentorennonsens.

Zijn activistische werk moest omgekeerd zo min mogelijk wetenschappelijke pretenties hebben om zo niet verward te worden met zijn baan. Het Pentagon vond dat ook misschien wel fijn, want zo konden ze altijd op Chomsky wijzen en zeggen dat er in Amerika toch echte vrijheid van meningsuiting was.

Het is nogal een bizarre theorie. Je zou misschien kunnen zeggen dat Chomsky zijn eerste paar jaar bij het MIT, als jonge, onbekende man, dit probleem had. Maar hij werd al heel snel een ster, zodat hij overal had kunnen gaan werken waar hij maar wilde. En toch is hij altijd bij dat MIT gebleven.

Een boegbeeld

Knight gaat niet serieus in op wat Chomsky zelf over een en ander zegt. Chomsky vindt bijvoorbeeld dat iedereen aan maatschappelijke discussie mee moet kunnen doen en vooral dat je helemaal geen ingewikkelde training nodig hebt om te zien wat de machthebbers aan het doen zijn: met gezond verstand naar de feiten kijken is genoeg. Vandaar dat hij politiek commentatoren met wetenschappelijke pretenties mijdt. Tegelijkertijd heeft Chomsky het gevoel dat we de gewoonste alledaagse dingen – zoals de taal die we hebben – eigenlijk nauwelijks begrijpen, en dat het zeer diep geconcentreerd nadenken van heel veel mensen nodig heeft, los van politieke doctrine, om erin door te dringen. Knight denkt kennelijk over allebei die onderwerpen andersom – het is voor hem volkomen duidelijk wat taal is, daar moet je niet zo moeilijk over doen, maar je moet wel diep studeren voor je de politiek begrijpt.

Je mag natuurlijk een boek over iemand schrijven die een tegenovergesteld wereldbeeld aan het jouwe heeft, maar het brengt je geen stap verder als je die persoon vervolgens alleen vanuit je eigen wereldbeeld beziet. En niet bijvoorbeeld je eigen wereldbeeld ook eens ter discussie stelt.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat Decoding Chomsky precies laat zien waar de schoen wringt bij het soort politiek gekleurde wetenschap dat Knight wil. Een dergelijke wetenschapper is uiteindelijk weinig nieuwsgierig, omdat de ideologie al eigenlijk voorschrijft hoe de werkelijkheid in elkaar zit en hoe je daar de details van zou kunnen onderzoeken. Het individualistische van Chomsky’s wetenschappelijke mensbeeld – waarin de mogelijkheden en de denkkracht van de enkeling centraal staat – kunnen niet eens serieus genomen omdat ze ‘rechts’ zouden zijn. Net als Chomsky’s bewering dat we omgeven worden door raadsels waarvan het maar de vraag is of we ze ooit wel zouden kunnen begrijpen. Foei! Noam lijkt waarachtig de katholieke kerk wel!

En dan ontstaat er dus een enorm probleem omdat de politiek commentator Chomsky – redenerend vanuit de gedachte dat de mens zich zoveel mogelijk vrij en zonder controle van allerlei autoriteiten moet kunnen ontwikkelen – een boegbeeld is van ‘links’.

Dat lijkt me geen probleem van Chomsky. Dat lijkt me een probleem van Knight.

Chris Knight. Decoding Chomsky. Science and Revolutionary Politics. New Haven and London: Yale University Press, 2016. Meer informatie bij de uitgever.