Toe-eigening: de casus Carl Friedman

Door Marc van Oostendorp

Nu Abdelkader Benali er gisteren een artikel over schreef op Tzum is de discussie over culturele toe-eigening pas goed losgebarsten. Mag je als, bijvoorbeeld, witte man wel schrijven over, bijvoorbeeld een Marokkaanse hoofdpersoon? Blijf je daarmee de discussie dan niet domineren? En als dat mag, waarom hebben, bijvoorbeeld Marokkaanse schrijvers dan niet dezelfde vrijheid om te schrijven over witte Nederlanders?

Mijn gedachten gaan bij deze hele discussie uit naar Carl Friedman, een auteur die aan het eind van de vorige eeuw opgeld maakte met geruchtmakende novellen als Tralievader en Twee koffers vol. Het zijn fraaie, geserreerd vertelde verhalen die zich afspeelden in een (orthodox) joods milieu en op een subtiele manier lieten zien hoe mensen met oorlogstrauma’s omgaan. Aan het begin van deze eeuw ontwikkelde Friedman zich tot een stem in het publieke debat over, onder meer, Israël.

Tot er in 2005 ineens naar buiten kwam dat Carolina Klop, degene die Friedmans boeken geschreven had, zelf uit een katholieke familie kwam. Sindsdien is zij verdwenen van het literaire toneel.

Foute ouders

Je zou kunnen zeggen dat in dit geval het probleem was dat Klop had gesuggereerd dat de verhalen een autobiografische component hadden; dat het feit dat dit een leugen was, haar onmogelijk maakte als schrijver. Maar ik vraag me af of dit wel afdoende verklaring is.

Zelfs veel grotere leugenachtigheid is niet per se een reden om iemand niet meer te willen lezen. Het feit dat Boudewijn Büch zich het leed van homoseksuelen, pedofielen en kinderen van foute ouders had toegeëigend werd weliswaar pas na zijn dood ontdekt, maar leidde niet onmiddellijk tot zijn verwijdering uit de canon. Als het tijdens zijn leven was verschenen, had hij vast doorgeschreven. Volgend jaar verschijnt er een biografie over hem.

Brabantse vrouw in een joods milieu

Bovendien: zouden de boeken van Carl Friedman indertijd net zo ontvangen zijn als we wisten dat ze door een katholiek waren geschreven? Ik denk het niet; en ik denk dat ik me er ook ongemakkelijk bij zou hebben gevoeld, en dat toe-eigening precies het juiste woord zou zijn geweest om dat ongemakkelijke gevoel te beschrijven. Er protesteert een stemmetje ergens in mij als een katholieke vrouw het verhaal van een orthodox-joods milieu van binnen beschrijft. Zij heeft geen recht op die stof.

Rationeel is dat bizarre stemmetje niet: de verhalen zijn er niet minder mooi om, Friedman heeft zich heel duidelijk heel talentvol ingeleefd in haar onderwerp en zaken onder woorden gebracht die niemand zo onder woorden zou kunnen brengen. De mensen die zich nu in het debat tegenover Benali roeren zouden kunnen zeggen dat ook een Brabantse vrouw vrij moet zijn zich in te leven in een joods milieu en daarover te schrijven wat ze wil. Daar valt dan op een bepaalde manier weinig tegen in te brengen.

Het verhaal van het leed

Er zat aan de toe-eigeningsdrift van Friedman nog een andere kant, die tot nu toe geloof ik niet aan de orde is gekomen in de discussie. Het lot van de vertegenwoordiger van de witte Christelijke middenklasse is dat zij geen groot leed te torsen heeft. En het kunstenaarschap vraagt in onze opvatting nu eenmaal om leed.

Het probleem is dan dat iemand zich leed toe-eigent dat niet zijn of haar eigen leed is. Zij geeft daarmee dan weliswaar een stem aan degenen die écht in de problemen zitten, maar zij ontneemt hen daarmee tegelijkertijd een mogelijkheid om die stem zelf te vinden. Zelfs het recht op het verhaal van het leed wordt hun daarmee ontnomen. Waarom kon Friedman niet schrijven over dat verlangen naar andermans ellendig lot?

Onredelijk?

En toch geeft het een slecht gevoel; en kennelijk niet alleen bij mij – Friedman is niet voor niets sindsdien verdwenen. Het laat geloof ik zien dat het bijna onmogelijk is een verhaal los te zien van de schrijver van dat verhaal. En dan kun je wel zeggen dat dit een onredelijk verlangen is, maar het is nu eenmaal ook onmogelijk om literatuur, een verhaal, op een puur redelijke manier te appreciëren.

Dus als wij moeite hebben met dit soort toe-eigening, en Carl Friedman hierom het zwijgen is opgelegd, hoe onredelijk is dan het verzoek van Benali?