Is er teveel wetenschap?

Door Marc van Oostendorp

Attachment-1 (18)Dat er een crisis is in de wetenschap, of in ieder geval in sommige wetenschapsgebieden en misschien wel in allemaal, daarover kun je steeds meer lezen. Allerlei onderzoek blijkt moeilijk repliceerbaar, allerlei bevindingen die vast leken te staan, blijken toch iets minder vast te staan. Allerlei fundamenteel onderzoek komt allang niet meer verder.

De problemen zijn misschien verschillend voor het ene wetenschapsgebied dan voor het andere. Het replicatieprobleem geldt meer voor gebieden als medicijnen en de psychologie – gebieden die als het ware bestaan uit enorme verzamelingen feitjes en weetjes zonder veel overkoepelende theorievorming. Dat het fundamentele onderzoek niet meer verder komt hoor je weleens uit de hoek van de natuurkunde, waar een grote groep onderzoekers zich al decennia heeft vastgebeten in de zogenoemde snaartheorie, waar maar weinig schot in lijkt te komen.

Hoe komt dat? De taalkundige Norbert Hornstein komt op zijn blog Faculty of Language met een originele verklaring. Of in ieder geval één waar ik nog niet over had nagedacht: de wetenschap is te groot geworden.

Te risicovol idee

Er zijn wereldwijd inmiddels honderdduizenden beroepswetenschappers. Dat levert natuurlijk als eerste het probleem op van hyperspecialisatie: de mensen gaan de miniemste onderwerpen omhelzen om maar te voorkomen dat ze op iemand anders’ terrein komen. En het gevolg daarvan is dan weer dat ze artikelen schrijven die niemand leest. Ik geloof dat 82% van de gepubliceerde geesteswetenschappelijke artikelen nooit geciteerd wordt. En dat de ongeveer de helft van alle artikelen nooit gelezen zijn door iemand anders dan de auteur en de anonieme beoordelaars.

Er zijn een heleboel actieve onderzoekers en nauwelijks consumenten van al dat onderzoek.

Dit is overigens niet het probleem waar Hornstein op doelt. Het gaat hem erom dat het eigenlijk logisch is dat een dusdanig groot bedrijf als de wetenschap inmiddels is een uitgebreide bureaucratie bevat. Het kan eigenlijk niet anders, als je het werk van zoveel mensen wil coördineren. Maar die bureaucratie gaat op zeker moment zijn eigen eisen stellen: dat er garantie moet zijn op succes, dat men geen obscure dingen moet doen, dat men geregeld moet ‘produceren’ en niet jarenlang vruchteloos aan een veel te risicovol idee gaat trekken.

Je eigen briljantie

Dat alles, nu, is funest voor het onderzoek. Het betekent dat men de voorkeur geeft aan snelle resultaten boven diep nadenken, en precies dat is wat de voortgang van de wetenschap blokkeert.

Hornstein denkt dat het alleen over bepaalde gebieden gaat, maar volgens mij heeft hij een onredelijk vertrouwen in bijvoorbeeld de natuurkunde. Maar de grondgedachte vind ik interessant: misschien is het probleem van de wetenschap wel dat het zo’n monsterlijk groot bedrijf is, dat steeds meer wil ‘professionaliseren’ en daardoor steeds minder geschikt raakt om te doen wat de wetenschap eigenlijk wil: volkomen onbekend terrein betreden.

Je lost dit probleem niet een-twee-drie op. Je kunt bijvoorbeeld wel wereldwijd enorm gaan bezuinigen op de wetenschap, en honderdduizenden noeste werkers ontslaan, maar daarmee is natuurlijk niet gezegd dat de paar t0pexcellente wetenschappers die je dan overhoudt inderdaad nog ergens toe komen. Zelfs als je ze van de bureaucratie ontlast, krijg je hooguit een soort Princeton Institute of Advanced Studies, en dat lijkt me een instelling waar iedereen heel content is over de eigen briljantie zonder veel op te lossen.

Enige hoop

Nee, de enige oplossing kan zijn dat wetenschap maatschappelijk belangrijker wordt. Dat het publiek buiten de muren van de academie zoveel van de wetenschap begrijpt dat het de wetenschappelijke kolos dwingt in beweging te komen. De academie kan zich niet in zichzelf keren, met zijn eindeloze stroom ongelezen artikeltjes over feitjes, maar moet wel af en toe een spannend en gewaagd verhaal vertellen. De carrièreprikkels moeten dan wel komen van dingen die de wetenschap vooruit helpen.

De wetenschap moet, kortom, populistisch worden, maar wel voor een nog veel beter opgeleide en nieuwsgierigere populus. De wetenschap hoeft niet kleiner te worden in absolute aantal, maar moet door opener wanden met de samenleving wel meer doordrongen raken van de eigen numerieke nietigheid.

Misschien is dat een ijdele droom. Maar het is ook de enige hoop.