Als ’t in ’t Hollandsch heet

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (88)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij
Illustratie: Susanne van der Kleij

Wat is het verschil tussen Tadamtadamtadamtadam en Tadamtadamtadamtadamtadam? Dat de eerste veel opgewekter klinkt dan de tweede. Een gedicht waarvan iedere regel uit vier keer tadam bestaat, dat kán bijna alleen maar grappig zijn. Zoals Nicolaas Beets’ sonnet:

Sonnetten hier, sonnetten daar!
Een wereld vol sonnetten!
Men is er machtig gauw mee klaar
In spijt der stipte wetten.
Al loopt de zin wel wat gevaar,
Daar valt niet op te letten;
Het fijne van de mis is maar
Ze goed ineen te zetten.

Een klinkdicht – als ’t in ’t Hollandsch heet –
Heeft niets te doen dan klinken;
En hebt gij daar den slag voor beet,
Uw roem zal eeuwig blinken…
Zie zoo; het mijne is ook gereed,
En hoor het eens rinkinken!

Inhoudelijk gaat dit sonnet over precies hetzelfde als waar bijna alle sonnetten uit die tijd over gingen: hoe belachelijk sonnetten zijn.Hoe ze een onacceptabel nauw keurslijf bieden aan de ware dichter. Hoe ze alleen maar vorm zijn en er geen plaats is voor de ‘zin’.

Waarom klinkt dat vier keer tadam zo vrolijk? Het zal wel iets te maken hebben met de pure symmetrie, een regel bestaat uit twee keer twee keer twee lettergrepen (plus eventueel één extra, aan het eind, als die onbeklemtoond is). Dat maakt het op de een of andere manier, zonder dat je je daar als lezer noodzakelijk bewust van bent, overzichtelijk. En dat stemt kennelijk tot opgeruimdheid.

Dan is de taal ook nog eens duidelijk heel eenvoudig. De dichter slaat hier een doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-toon aan, en dat biedt ons dan weer een uitstekende gelegenheid om de gewone taal van toen eens goed te vergelijken met die van nu. Wat zouden we nu anders doen?

Sonnetten hier, sonnetten daar!
Een wereld vol sonnetten!
Men is er machtig gauw mee klaar
In spijt der stipte wetten.
Al loopt de zin wel wat gevaar,
Daar valt niet op te letten;
Het fijne van de mis is maar
Ze goed ineen te zetten.

Een klinkdicht – als ’t in ’t Hollandsch heet –
Heeft niets te doen dan klinken;
En hebt gij daar den slag voor beet,
Uw roem zal eeuwig blinken…
Zie zoo; het mijne is ook gereed,
En hoor het eens rinkinken!

Het is een gedicht van zo’n 180 jaar, maar je hoeft maar de helft van de regels aan te passen, en dat dan maar een klein beetje, om een acceptabele moderne taal te krijgen.

Dat vertelt ons, denk ik, iets over taalverandering. Je hoort weleens klagen dat het Nederlands zo snel verandert, en dat dit allemaal de schuld is van de Taalunie, maar het is misschien eigenlijk niet de taal zélf, de taal zoals we die iedere dag gebruiken, die zo snel verandert. Ieder van ons zou gemakkelijk een gesprek kunnen voeren met Beets en Bilderdijk, en zij zouden misschien niet eens aan onze taal merken dat we van ver kwamen.

Dat oude gedichten ons zo vreemd zijn, is niet omdat de taal zo verandert was, maar omdat men toen meer gewend was aan dichters die dat soort vreemde taal begonnen uit te slaan.