Een kinderachtig idee als spannend nieuw paradigma

Door Marc van Oostendorp

Processed with Snapseed.
Illustratie: MvO

De moed zakt me in de schoenen wanneer ik artikelen lees die de titel dragen Evidence Rebuts Chomsky’s Theory of Language Learning. Is dat nu het niveau van ons vakgebied? Dat kranten, tijdschriften en websites  jaar in jaar uit dit soort artikelen plaatsen? Ook de inhoud maakt me niet echt vrolijker. Wat een kleuters, die taalkundigen, moet de enigszins geïnformeerde lezer wel denken. Bedenken ze nou nooit iets anders dan dat eeuwige gekissebis?

Dat komt in de eerste plaats natuurlijk door die titel. Ik mag mij met ingang van deze maand inmiddels 30 jaar taalkundestudent noemen, en in al die jaren lees ik in de kranten nooit iets anders dan dat die en die geleerde nu eindelijk heeft bewezen dat Noam Chomsky ongelijk heeft. Wat is de lol daarvan? En waarom altijd maar diezelfde theorie? Heeft er in de afgelopen decennia nooit iemand anders iets beweerd waarvan je zou kunnen aantonen dat hij ongelijk heeft?

Ja, zullen de krantenjongens en de bloggers en de auteurs van dit artikel in Scientific American zeggen, maar Chomsky is nu eenmaal beroemd. (Het is het argument van Tom Wolfe, waar ik gisteren over schreef. Wolfe heeft overigens natuurlijk óók al bewezen dat Chomsky ongelijk heeft.)

Warm afwaswater

Maar in dit geval maakt het hele artikel bij mij sowieso grote treurigheid los. Een van de auteurs is Michael Tomasello, een heel goede psycholoog met heel interessante ideeën over taal, ware het niet dat hij om de een of andere reden denkt dat die ideeën per se in flagrante tegenspraak moeten zijn met Chomsky. In mijn ogen zijn ze dat niet, of nauwelijks: ze gaan over een heel andere dimensie van de ingewikkelde werkelijkheid die we taal noemen. Waar Chomsky baan heeft gebroken in ons begrip van de structuur van zinnen, heeft Tomasello onder andere geholpen in te zien hoe uniek de menselijke mogelijkheden zijn om via taal samen te werken.

Dat zijn allebei fraaie ontdekkingen, die je los van elkaar kunt genieten. Ruzie maken over de vraag wat nu de eigenlijk juiste visie is op taal is net zoiets als kibbelen over de vraag of de boiler in opoe’s keuken nu bedoeld is om warm water in de douche te krijgen of om te zorgen voor warm afwaswater.

Spannende nieuwe ontwikkelingen

Oké, maar in dit artikel beweren de auteurs toch dat er allerlei bewijzen zijn (die ze niet echt geven) dat Chomsky’s idee van een Universele Grammatica echt achterhaald is? Ja, maar in zekere zin is iedereen het erover eens dat de ideeën over die grammatica van een jaar of dertig geleden te complex waren. Ook de fanatiekste Chomskyaan, ja, ook Chomsky zelf, geeft toe dat het aangeboren taalvermogen een stuk minder omvangrijk is dan men indertijd dacht. Alleen, er is nog steeds een redelijke discussie mogelijk over de vraag of er toch niet een kern is, of er niet bijvoorbeeld één ding aan te wijzen is dat menselijke taal uniek maakt (bijvoorbeeld die van die vermaledijde recursie waar ik gisteren over schreef).

De schrijvers in Scientific American gaan daaraan voorbij, blij en trots als ze zijn op de geweldige ‘spannende’ nieuwe ontwikkelingen in hun vak (les 1 voor de wetenschapper die in het nieuws wil komen: straal optimisme en enthousiasme uit over de spannende nieuwe ontwikkelingen in je vak). Bovendien zijn ze te druk met smalen op de ouderdom van de aanhangers van de Chomskyanen – alsof dat een argument is! alsof die Tomasello (geboren in 1950) zelf zo’n jonge blom is!

Verwarring

Bovendien halen ze een alternatief voor het aangeboren taalvermogen boven tafel dat je ook heel vaak tegenkomt in dit soort besprekingen, maar waar ik niet veel van begrijp: algemene cognitieve vaardigheden van de mens. We hoeven helemaal niet aan te nemen dat mensen worden geboren met een speciaal talent voor taal, zeggen zij. Mensen zijn gewoon uitzonderlijk slim en kunnen daardoor makkelijk taal leren. Het probleem dat ik daarmee heb is dat bijna alles wat de mens doet en denkt zo door en door vervlochten is met taal dat ik niet snap hoe je ‘algemene vaardigheden’ als logisch redeneren, rekenen, of zelfs samenwerken zou kunnen los zien van die taal. Bovendien zijn die vaardigheden kennelijk anders dan bij dieren, die immers nog steeds geen taal leren.

De hele discussie over aangeboren taalvermogen tegenover andere algemenere cognitieve vermogens wordt daarmee een spelletje over hoe je dingen noemt, een met veel grote woorden gevoerde non-discussie. (Wat overigens ook betekent dat omgekeerd het moeilijk is aan te tonen dat zoiets als recursie taalspecifiek is. Chomsky lost dat op door per definitie recursie en taal aan elkaar gelijk te stellen, maar daarmee kom je ook niet echt uit de verwarring. Maar dit artikel is nu eenmaal niet door Chomsky geschreven, maar door zijn tegenstanders.)

Rijm

Het alternatief dat de schrijvers in Scientific American voorstellen, stemt ook niet echt meteen optimistisch. We moeten de taal gaan bestuderen op basis van het ‘werkelijke gebruik’, usage-based! Hoewel de schrijvers uit die benaming zelf dus weer groot optimisme en levensgeluk weten te puren, is het idee behoorlijk onduidelijk (is er ook taal die niet gebruikt wordt?) en bovendien al oeroud.

Voor alles gaat het voorbij aan allerlei problemen die er zijn met dat begrip. Wat is bijvoorbeeld usage? Degenen die dit soort taalkunde doen lijken altijd aan te nemen dat taal bedoeld is om in te praten en eventueel om er zakelijke teksten in te schrijven. Het verzamelen van zinnen die mensen zoal de hele dag zeggen en schrijven, dát geeft ons de gegevens over hoe taal gebruikt wordt. Maar hoezo is dat zo? Wordt taal niet net zo goed gebruikt om, bijvoorbeeld, liedjes in te zingen op rijm of, nog ingewikkelder, om in te denken? En is dat dan vervolgens niet een heel ander soort taal? Hoe weten die usage-based jongens en meisjes zo goed wat echte taal is en wat niet?

Doorbraak

Mijn bezwaar tegen deze hele manier van over je vak communiceren voor een breed publiek – het publiek van Scientific American – is dat ze zo simplistisch is. Het vak wordt voorgesteld alsof er al decennia lang slechts één discussie is, die over het aangeboren taalvermogen, en aan de nuances van die discussie wordt ook na al die tientallen jaren van definitief bewijzen dat Chomsky ongelijk had geen recht gedaan; van de andere kant wordt een stroman gemaakt die dan wordt neergeslagen. Vervolgens wordt er een heel primitief idee over taal uiteengezet (het is iets over wat Jantje zegt tegen Pietje) en dat wordt voorgesteld als een ontzettend spannend nieuw onderzoeksparadigma.

Ja, wanneer je voor een breder publiek praat, moet je de zaken wat vereenvoudigen. Maar als je het op deze manier doet, heeft niemand eraan. De lezer die het nieuws een beetje volgt krijgt de indruk dat je als taalkundige maar twee dingen kunt doen: bewijzen dat Chomsky ongelijk heeft. Of een heel simpel idee over taal beschouwen als de grote nieuwe doorbraak.