Etymologie: weelde

Door Michiel de Vaan

weelde zn. ‘overvloed’

Vroegmiddelnederlands welde, weelde v. ‘overvloed; genot, blijdschap’ (1240), Laatmiddelnederlands weelde, Nnl. weelde (1518), welde (1582), wilde (1583) ‘voorspoed, geluk, genot, rijkdom’. Moderne dialecten: Zeeuws wilde, Zuidbrabants wélle, Antwerps welde, Kempisch weld, weeld, wilde, Limburgs wèèld, wèèlj.

Afleidingen: Vmnl. weldech ‘heerlijk, overdadig’ (1240), weeldech (1285), bn. weldeleke ‘overvloedig’ (1240), ww. weelden ‘genieten’ (1240).

Vanaf de dertiende eeuw vinden we zowel welde als weelde, laatstgenoemde vorm met rekking van de eerste e in ouder *welede. Mogelijk trad de rekking vooral op in de op -e eindigende vormen (nominatief en accusatief enkelvoud *welede), terwijl *weleden (meervoud, genitief en datief ev.) eerder welden werd en zodoende de eerste klinker niet gerekt werd. Ook kunnen sprekers zich in de Mnl. period nog bewust zijn geweest van het verband met wel ‘goed’. Niettemin zal een deel van de vormen met korte klinker, zeker die in de moderne dialecten, door verkorting van ee voor ld zijn ontstaan, bijvoorbeeld wild uit wèèld.

Verwante vormen: Middelnederduits wēlde, welde v. ‘welzijn, genot, overmoed, dartelheid’, Oudhoogduits welida v. ‘rijkdom’, Mhd. welede, Middelengels welþe v., Modern Engels wealth ‘rijkdom’, MoWFri. wielde. Voor het bn.: Mnd. weldich, Mhd. weledic, ME wealthy.

Afleiding West-Germaans *weliϸō- ‘goed-heid, wel-stand’ van het bw. wel ‘goed’ (PGm. *welō). Daarnaast bestond ook nog een afleiding *welan- m. ‘geluk, rijkdom’, die onder andere tot Oudsaksisch welo, Ohd. welo, wolo m., wela, wola v., OE wela m. werd. Een in het WGm. van *wel- afgeleid bn. heeft Ned. welig opgeleverd.

weelderig bn. ‘overvloedig’

Vroegnieuwned. welderigh (1588), weelderigh (1614), weeldrigh (1621) ‘overvloedig; onstuimig (van paarden)’. Daarnaast het zeldzame ww. welderen ‘voorspoed hebben’ (1558), weelderen ‘volop groeien, welig tieren’ (1650).

Het achtervoegsel –erig vervangt het oudere –ig in weeldig, dat dialectisch nog wel voorkomt. Een dergelijke vervanging is niet ongebruikelijk bij Nnl. adjectiva met een ongunstige bijbetekenis (bijv. zandig >> zanderig, windig >> winderig), maar voor het ontstaan van we(e)lderig lijkt, gezien de positieve betekenis en het tijdstip van verschijnen, het frequentatieve werkwoord we(e)lderen de basis geleverd te hebben.

 

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.