Gedicht: G.A. Bredero — Het elfde sonnet van de schoonheid

HET ELFDE SONNET VAN DE SCHOONHEID

O rijpen boezem wit die voor mijn ogen stadig
Zo liefelijken zweeft, gelijk den wederschijn
Van d’allerwitste sneeuw aan d’oorsprong van den Rijn –
Maar uwe schimmering, o zwakke ogen schadig!

Met maagdelijke melk verschijnen daar beladig
Twee zilver dopkens rond, op elke staat een robijn,
’t Zijn appelkens gelijk, daarop twee kerskens zijn,
Wiens rode rijpigheid een lust baart ongestadig.

Och, die ’t eens weten mocht, wat Hemels zuigelink
Daar nog aanleggen zal, hoe met den gouden rink,
Zijns Moeders echtsieraad, het dertelijk zal spelen,

En zitten op haar schoot, verslaan zijn kinderpraat,
Dan waar’ het zeggen uit, Appeles schoonst sieraad
Is ’t lieflijkste kind van al des werelds delen!

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618)

(verslaan = babbelen)