Spookklinkers

Door Marc van Oostendorp

Gisteren mocht ik samen met mijn Italiaanse collega Edoardo Cavirani de wereldberoemde Manchester Phonology Meeting openen met een lezing over spookklinkers. Je hebt zulke klinkers – je hoort ze niet, maar ze geven allerlei signalen af dat ze er wel degelijk zijn – in allerlei talen en Edoardo en ik zijn bezig daar een theorie over te ontwikkelen. Hij gaf wat voorbeelden uit Toscaanse dialecten en ik mocht iets vertellen over enkele Nederlandse voorbeelden.

Er zijn bijvoorbeeld allerlei dialecten – zowel in Twente als rond het IJsselmeer als in de buurt van Gent – waarin je de slotmedeklinker van ik geloof niet uitspreekt als een f, maar als een v. Nu eindigen woorden in geen enkel Nederlands dialect ooit in een v als ze worden uitgesproken, zo min als ze uitgesproken ooit bijvoorbeeld op een z eindigen. Dat heeft iets te maken met het feit dat je je stembanden laat trillen als je een v en een z moet uitspreken en dat doen wij liever niet aan het eind van een woord. Dus zijn zelfstandig naamwoorden als geloof en wees in het meervoud weliswaar geloven en wezen, maar kies je in het enkelvoud voor de naastliggende klanken, f en s. Dat fenomeen heet verscherping.

Alle Nederlandse dialecten werken zo, behalve dat bijvoorbeeld de Twentse dialecten dus een uitzondering maken voor de eerste persoon enkelvoud van werkwoorden. Waarom is dat zo? Het heeft ongetwijfeld iets te maken met het feit dat deze dialecten altijd grenzen aan andere dialecten waarin de eerste persoon enkelvoud nog een uitgang –e heeft en waar men dus zegt ik gelove en ik leze. Die e is in deze dialecten weliswaar niet meer hoorbaar, maar zijn spook beschermt de slotmedeklinker nog tegen verscherping.

In andere dialecten en in de standaardtaal treedt verscherping weliswaar ook in deze gevallen op – je zegt immers niet ik geloov –, maar dat betekent niet dat het spook niet nog rondwaart. Er is bijvoorbeeld een verschil tussen open in de deur is open en in je wilt dat ik de deur open. In het eerste geval kun je de n in de uitspraak weglaten (de deur is ope), maar in het tweede geval kan dat absoluut niet: dat ik de deur ope klinkt on-Nederlands. Ook hier beschermt de spookklinker van de eerste persoon enkelvoud de slotmedeklinker dus.

Vooral in Vlaanderen vind je nog andere sporen van spookgedrag van die klinker. Er zijn bijvoorbeeld dialecten in de buurt van Antwerpen waar een woord niet op –ng mag eindigen en je dus dink zegt voor ding. De uitzondering: je zegt wel ik zing en niet ik zink. In andere dialecten zeg je hij is dood (of eigenlijk doot), maar je wilt dat ik hem dooi. De d wordt een j alsof hij tussen twee klinkers staat (je kunt immers zeggen de dooie of wij dooien hem).

Wat is dat voor spook? Er is natuurlijk een historische verklaring voor dit gedrag: de stomme e verdwijnt aan het eind van de eerste persoon enkelvoud, maar in deze dialecten is dat recent gebeurd en hebben de andere processen nog niet plaats gevonden. Maar dat verklaart niet waarom dialecten soms enkele generaties stabiel in deze staat kunnen blijven. Kinderen die zo’n dialect leren moeten dus oppikken dat er op die plaats geen klinker staat, maar dat het toch nog net is alsof hij er wel is: een spookklinker.