Taalunie: de bedelorde voor het Nederlands

Door Arie Pos

Minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker van OCW doen hun sloopwerk graag in stilte. Via het Comité van Ministers van de Taalunie, waarin Vlaanderen gelijkwaardig vertegenwoordigd heet maar niets heeft in te brengen, bezuinigen ze er onverbiddelijk op los. De Taalunie voert die bezuinigingen stipt door en doet dat ook graag in stilte. Directie en medewerkers van het Erasmus Taal Centrum in Jakarta – inmiddels geschrapt van de Taaluniebegroting en ‘teruggegeven aan de markt’ – kregen een zwijgplicht opgelegd toen de bijl in de organisatie ging. Ook directie en medewerkers van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) – dat sinds 1 januari 2016 Instituut voor de Nederlandse Taal (INT) heet maar daar naar buiten toe nog niets van laat merken – moeten zwijgen over het hak- en sloopwerk dat daar wordt verricht. Met veel minder geld gaat men daar veel meer doen, met veel minder mensen voor veel meer mensen, en niemand weet nog wat, maar zwijgen is goud. Het is tenhemelschreiend maar je hoort er geen hond over. Zwijgplicht. Zo gaat dat in de voorheen democratische Nederlandse rechtsstaat waar transparantie ooit hoog stond aangeschreven. Kop dicht of je kop gaat eraf.

‘Achter de schermen wordt hard gewerkt,’ stil maar wacht maar, alles wordt nieuw. En nieuw wordt het. Gloednieuw. De ouderen onder ons herinneren zich de fraaie collectebusjes op de kleuter- en lagere school – een strohutje met een palmboompje en een paar negertjes ervoor. Op maandag mocht je met je kleine vingertjes een stuiver door het gleufje in het strodak wurmen voor de missie of de zending. Of de ja-knikkertjes in de kerk: een beeldje van een negermeisje of -jongetje met een mandje of doosje voor haar/zijn buik waarop ‘Dank U’ stond. Het hoofdje stond los op de romp en als je een muntje in de gleuf gooide knikte het kindje. En dan had je de Memisa- of de Biafrakalender, allerlei Sticusa- en Simavidingetjes, ‘Open het dorp’, en nog veel meer. ‘Help helpen’. De Vlaamse en Nederlandse burgers hielpen wat af met hun stuivers en franken.
Ontwikkelingshulp, of politiek correcter ontwikkelingssamenwerking, is allang uit bij de overheden en bij veel mensen. Niet alleen iets met strijkstokken, maar ook iets met paternalistisch, kolonialistisch en eigen broeken. Maar de hersenloosheid in Den Haag is groot en historisch besef is er met een lichtje te zoeken. En van enig schaamtegevoel heeft de Nederlandse overheid al helemaal geen last. Dus er werd iets nieuws bedacht. De Taalunie krijgt er geen euro bij en moet de markt op. Lekker eigentijds. Maar de markt wil niet altijd – waarom zou ze ook als het om een duidelijke overheidstaak als de zorg voor de nationale taal gaat. Sander Dekker zou eens praten met het bedrijfsleven, maar dat deed hij niet – althans het leverde niets op. Als we nu eens… En ja hoor, help helpen. We gaan bedelen bij de burger en bij burgerplatforms als verenigingen, stichtingen en fondsen op naam. De overheid gaat vissen in de particuliere vijver. De politiek staat erbij en kijkt ernaar. ‘Het Nederlands heeft u nodig. Wilt u de Taalunie steunen?’ De Taalunie is een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) en uw giften zijn fiscaal aftrekbaar. Sterf en vermaak uw kapitaal aan de Taalunie.
Ja, u leest het goed, de Taalunie, het intergouvernementele samenwerkingsverband van Nederland en Vlaanderen voor de Nederlanse taal, een schimmig semi-overheidsorgaan waarop Nederlands noch Belgisch recht van toepassing is, is sinds 1 januari 2011 stilletjes een Nederlandse ANBI geworden en wordt ook in België als goed doel beschouwd. De respectievelijke belastingdiensten moeten maar eens uitlggen hoe dat kan. Een intransparante en legaal ongedefinieerde en ongrijpbare spookinstelling die al jaren geen solide beleidsstukken en jaarrekeningen meer openbaar maakt, kan uw giften ontvangen – en ermee doen wat ze wil zonder daar vooralsnog verantwoording over af te leggen. Met de goedkeuring van het Comité van Ministers – lees Bussemaker en Dekker, want de Vlamingen tellen niet mee.

Daar hoort natuurlijk een folder bij (de Taaluniekalender 2017 is in de maak). ‘Draag bij aan de toekomst van Marika en Sergej’ (let op de smaakvol gekozen kansarme namen). Geef die Oost-Europese stakkertjes ‘Betere kansen met Nederlands’. Uit de folder:
Uw bijdrage maakt het verschil:

  • doneer € 100 en u zorgt voor hoogstnoodzakelijke basismaterialen als papier, boeken, kopieën en stoelen;
  • doneer € 200 en u financiert actuele digitale lesmiddelen voor het Nederlands;
  • doneer € 500 en u sponsort een masterclass naast het reguliere lessenpakket;
  • doneer € 1.000 en u draagt bij aan een regionale studentenconferentie rond een thema uit de Nederlandse taal- of letterkunde;
  • doneer € 2.000 en u maakt het mogelijk dat alle studenten Nederlands aan een universiteit onderwijs krijgen van een docent met Nederlands als moedertaal.

Stuurt u vooral ook blikken erwtensoep en gecondenseerde melk, afgetrapte schoenen en afgedankte jassen, want zoals u ziet hebben die arme studentjes in hun verre onderontwikkelde landen nog niet eens papier, boeken, kopietjes of een stoel! En dat terwijl ze onze mooie Nederlandse taal zo hard nodig hebben voor een betere toekomst.
Of nee, we maken het nog mooier: ‘Adopteer een student Nederlands’, zodat die eens helemaal uit haar of zijn kaffernegorij naar een Zomercursus in Nederland of Vlaanderen kan komen, opdat haar/hem het Nederlands en wat cultuur en beschaving deelachtig worde. En wat krijgt u niet terug voor uw adoptiesteun? Glunderende kindergezichten, levenslange dankbaarheid, naamsvermelding en de mogelijkheid uw pupilletje persoonlijk aan het hart te drukken tijdens een lunch, een lezing of de feestelijke afsluiting van de cursus. En natuurlijk mag u ook even uw bedrijf of vereniging komen presenteren. Interesse? Kijk op de website van de Taalunie.
Zo geven Bussemaker en Dekker het Nederlands via deze sympathieke Taalunie-acties terug aan de burger. Dat deze studenten de ambassadeurs van de taal en cultuur van ons taalgebied worden, dat we ze terugzien in belangrijke functies bij multinationals en ambassades, als docenten Nederlands aan buitenlandse scholen en universiteiten, als kunsthistorici, schrijvers, musici, journalisten, diplomaten, of als literaire, juridische of zakelijke vertalers, het zal de beide bewindslieden worst zijn. De Nederlandse overheid geeft geen cent voor het Nederlands in de wereld. Het bedrijfsleven ook niet.
Met twee tot drie miljoen euro meer per jaar op het OCW-budget van 37 miljard (dat is toch algauw zo’n 0,00008 %) zou de buitenlandse neerlandistiek het zonder deze mensonterende bedelarij kunnen stellen. Met minder dan tien miljoen in totaal zouden, naast de buitenlandse neerlandistiek, ook het lager en voortgezet onderwijs in het buitenland en in de grensstreken, en het Instituut voor Nederlandse Lexicologie hun werk fatsoenlijk kunnen blijven doen. Daarmee zou de Nederlandse overheid laten zien dat het Nederlands ertoe doet in de wereld. Maar helaas, tegen de bedelstaf van Bussemaker en de dovemansoren van Dekker valt geen politicus of argument te mobiliseren. Voor dat geld kan een OCW-ambtenaar of een Kamerlid nog geen wenkbrauw optrekken.
De ‘Geen hart voor het Nederlands’-penning – een ouderwetse, roestige Nederlandse cent met de beeltenis van de toenmalige beschermvrouwe van Onze Taal – wordt dit jaar daarom unaniem en met volle overtuiging voor het eerst (en hopelijk voor het laatst) toegekend aan minister Jet Bussemaker (PvdA) en staatssecretaris Sander Dekker (VVD), wegens beider jarenlange onschatbare verdiensten voor de teloorgang van het Nederlands in de wereld. De onderscheiding zal op een nader aan te kondigen tijdstip aan beide bewindslieden worden uitgereikt. Bij die weinig feestelijke gelegenheid zal tevens het programma worden bekendgemaakt van de benefietmanifestatie ‘Bedel mee voor OCW’, waaraan een keur van Nederlandstalige artiesten uit binnen- en buitenland meewerkt en die gepland staat voor de komende ‘Week van het Nederlands’. Tegelijk wordt er een nationale bedelactie gestart via een nader bekend te maken ANBI-rekening (niet die van de Taalunie). Wanneer de dertien miljoen Nederlandse belastingbetalers elk 77 cent doneren (fiscaal aftrekbaar) in ruil voor de ‘Hart voor het Nederlands’-badge, zijn de benodigde tien miljoen snel bij elkaar en is het Nederlands in de wereld voor een jaar gered van Bussemakers bedelstaf en Dekkers dovemansoren (beide te zijner tijd als merchandise te koop in verschillende uitvoeringen voor ieders portemonnee). Op deze wijze keert het Nederlands waardig terug bij de burgers. Mogen Vlamingen en Nederlanders de twee blind bezuinigzieke bewindvoerders genadig zijn. Taalgenoten, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.