Wonderdaân van een kinderpeuzelaar

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (63)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Op het eerste gezicht zou je Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782) een voorloper kunnen noemen van de Nederlandse doemaargewoondandoejealgekgenoegisten in de Nederlandse dichtkunst – de Annie M.G. Schmidts en de Gerrit Komrijs–, bijvoorbeeld vanwege een sonnet als Lijcaön, dat door Komrij trouwens gebloemleesd werd in zijn duizend-en-enige gedichten.

Maar als je het goed leest is er ook wel meer aan de hand:

LIJCAÖN

Dat andre Dichters vrij van Alexander zingen;
  Men heffe van Achill, of wel van Cesar aan:

  Ik doe die Helden recht, hun roem zal nooit vergaan,
Maar thans heeft eedler stof mijne ader doen ontspringen.

Ik zing den moedigsten van alle stervelingen.
  Ja dappre Lijcaön, ik zal wat groots bestaan;
  Verrukt, verbaasd, bekoord, om duizend wonderdaân,
Zal ik uw’ helden-kruin met eeuwig loof omringen.

  Meld dan mijn Zangeres, meld wat zijn arm bestond,
  Toen zich die andre Mars voor ’t spits des Vijands vond,
Beziel mij, zo ik ooit uw’ invloed heb genooten!

  Hoort Eeuwen! hij ontbloot zijn nooit verwonnen staal,
  Hij zwaait het om zijn hoofd tot zes of zevenmaal,
En… ‘wel? wat deed hij toen?’ ’t is waarlijk mij ontschooten.

Ja, gniffelen jullie maar even: daar had De Lannoy al die hooggestemde dichters van epen toch maar even te pakken! Net voor ze de grote heldendaden gaat verkondigen, blijkt ze een en ander vergeten te zijn. Kostelijk, wat je zegt.

De taal is ook af en toe expres dichter-archaïsch. Neem nu dat wonderdaân, waarin wonderdaden zijn samengetrokken. Er is een tijd geweest dat je de op een natuurlijke manier weg kon laten: veder werd veer, weder werd weer, ader aar, bestevader bestevaar en moeder moer. Maar op een bepaald moment was de pret voorbij. Woorden als veer en weer behielden hun nieuwe vorm, andere woorden deden dat alleen in een bepaalde betekenis (moer zeg je alleen tegen het dingetje waar de bout in past) en bij weer andere (aar) werd de afgekorte vorm ouwerwets. Met wonderdaân liet je in De Lannoys tijd niet meer horen dat je lekker vlot kon praten, maar dat je een beetje belachelijk hoogdravend was.

Er zit alleen een addertje onder het gras. Dat addertje heet Lycaon, die niet zomaar een fijne held was, maar een man die aan Zeus zijn eigen kinderen te eten had gegeven en daarom werd veranderd in een wolf. Het ‘ontschieten’ blijkt hier niet zomaar een komisch vergeten te zijn van een quasi-hoogdravende dichter, maar een heel vroege vorm van freudiaanse onderdrukking.

Wat waren dat eigenlijk voor mannen, Alexander, Achilles en Caesar – waren dat wel zulke lekkertjes? Waren zij eigenlijk niet ook enthousiaste massamoordenaars? En zouden we hun daden dus ook niet beter kunnen vergeten?