Klinkletters kijken in de 18e eeuw

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (58)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?


Door Marc van Oostendorp

In een bekend artikel heeft Gert de Jager er ooit op gewezen dat het sonnet bij uitstek een visueel genre is. Vooral dichters die naar hun werk in geschreven vorm kijken (en niet vooral luisteren naar hun gedichten) zouden in het genre geïnteresseerd zijn. Die veertien regels, op een bepaalde manier gestructureerd, kun je met een oogopslag overzien, maar je kunt nauwelijks horen als iemand een sonnet voorleest.

Op die manier verklaarde De Jager de herleving van het sonnet in de tweede helft van de negentiende eeuw. De Tachtigers zetten zich af tegen de in orale tradities gewortelde domineespoëzie (preken, liedjes) en kozen voor de echt gekunstelde en visuele vorm van het sonnet.

Ik ben in mijn geschiedschrijving inmiddels aangekomen in een periode die volgens die logica zo goed als dood moet zijn geweest voor het sonnet: dat van de achttiende eeuw. Toen ik enkele deskundigen over de achttiende eeuw ernaar vroeg, ontstond er bij sommigen ook wel enige paniek: werden er toen wel sonnetten geschreven?

Maar natuurlijk bleken er toch meer dan genoeg te vinden. Zoals deze van Albertus Frese (1714-1788):

Kunstlievende! vergun my onder uw gezicht
  Te brengen, deze Proef, die d’Eersten der Klinkletters,
  Zo onvermydlyk in de Vorm des Letterzetters,
Geheel steld uit zyn dienst en keerd uit dit Gedicht:

Dus Hy den stommen speeld, terwyl Hy niets verricht.
  Hoe, dunkt U zulks zo vreemd? ’t is evenwel niets ketters
  In Letterkunst! of, eischtge iets beters of iets netters?
Verschoon beperkte Kunst by ’t geen zy is verplicht!

Dien Eersten Letter, zo bekend in veelen Oorden,
  Die dikwerf zyn geluid by onderscheiden Woorden,
Doet hooren en door Oud en Jong zo luidkeels spreekt!

En klinkt! en zingd! is hier bevolen stil te zwygen,
  Om in dit Klinkdicht geen de minste stem te krygen:
Ten einde elk uwer zie en hoor, hoe Hy ontbreekt.

Dit was het eerste van een serie van vijf samen uitgegeven sonnetten, waarin telkens een van de klinkers (a, e, i, o, u) ontbrak. (Sonnetten werden in Freses tijd meestal klinkdichten genoemd, en klinkers klinkletters, dus er was nog een bijzondere reden voor dit kunststukje.)

Het gedicht lijkt in eerste instantie bedoeld om De Jager gelijk te geven. In een verder misschien erg orale eeuw is het hier een en al schrijftaal dat de lezer gepresenteerd wordt, pardon, ‘onder uw gezicht’ gebracht, ‘zo onvermydlyk in de vorm des letterzetters’. Bovendien gaat het niet echt over de klank, maar over de letter a die vermeden wordt. En tot slot heeft het sonnet natuurlijk ook allerlei vorm die op geen enkele manier klinkt, met die witregels en de inspringingen.

Maar het achttiende-eeuwse woord ‘klinkletter’ heeft natuurlijk twee gezichten: niet alleen letter, maar ook klink. En in het sextet gaat het dan ook wel degelijk over het geluid van de a, dat zo luidkeels klinkt en zingt bij jong en oud. Om Gert nog even te pesten wordt er in de laatste regel dan ook nog op gewezen dat je het ontbreken van de a in dit gedicht niet alleen kunt zien maar ook horen. Een sonnet is schrijf- en spreektaal tegelijkertijd.