Vondel, Tasso: raadsels rond een handschrift

Door Ton Harmsen

009TassoOxfordDit is een bericht van interpol. Dick van der Mark schrijft een proefschrift (einde in zicht) over Vondels vertaling van de Gerusalemme liberata van Torquato Tasso, het romantiserende epos over de eerste kruistocht onder leiding van Godfried van Bouillon. Vondel heeft hiervan een kladvertaling in proza gemaakt. Van deze tekst bestaan drie moderne afschriften door Nora de Vreese, Aleida Nijland en Dick van der Mark. Van Vondels autograaf zijn alleen maar foto’s over, het origineel is in Warschau na de Poolse opstand in 1944 door Duitse genietroepen in brand gestoken. Er is bovendien een laat-zeventiende-eeuwse bewerking, werkelijk door een schoonschrijver vervaardigd: hij geeft de tekst van Tasso naast de vertaling van Vondel. De Italiaanse tekst is zo smetteloos gekalligrafeerd dat het bijna drukwerk lijkt. Ook de Nederlandse tekst is opvallend regelmatig geschreven, vooral gezien het feit dat de kopiist Vondels vertaling op talrijke plaatsen verbetert, en dus tijdens het schrijven zich in de eerste plaats geconcentreerd heeft op de inhoud van de tekst. Dit handschrift is uit de nalatenschap van de Amsterdamse classicus Jacques Philippe d’Orville in de Bodleian Library in Oxford terechtgekomen. Het is nog steeds niet bekend is wie de kopiist, of liever: de corrector is. Hij moet een man (of zij een vrouw, maar dan een met een opleiding als Anna Maria van Schurman) met een vaste hand zijn, een knap kalligraaf; een goede italianist, want hij kan Vondel met gezag aanvullen en verbeteren; een Nederlander, want hij beheerst Vondels taal zonder mankeren; iemand die aan het eind van de zeventiende eeuw leefde, want daar duidt het handschrift op; en hij moet Vondels handschrift op een of andere manier uit de erfenis gekregen of geleend hebben, want dat vertoont marginale aantekeningen in dezelfde hand als die van het handschrift in de Bodleian. Soms wijkt de zeventiende-eeuwse kopiist danig af van Vondels tekst; hij verbetert vertaalfouten en hij lost lacunes op. Vondel heeft het vierde canto (van de twintig) geheel overgeslagen, dus hier heeft de corrector als vertaler moeten optreden. Hij heeft heel wat te repareren in Vondels vertaling, bijvoorbeeld in de dertiende stanza van canto III:

Ma in altra parte, ond’è secreta uscita,
Sta preparato a le riscosse Argante  

 Vondel maakt hiervan:

maer in d’andre poort daerse heymelyck wtgegaen is, staet Argante gereed om haer weer te krygen.

Hij verwart parte (kant) met porta (poort) en vat de substantieven uscita (uitgang) en riscosse (verlossing) op als werkwoordsvormen. Neem Vondel niets kwalijk: hij maakte deze vertaling alleen om zich de techniek van het Christelijk epos eigen te maken, en hij is nooit van plan geweest dit kladhandschrift naar de drukker te brengen. Maar intussen is zijn vertaling wel onbegrijpelijk.

Onze corrector weet hoe het wel moet:

maar aan een andre kant daar een heijmelijke uytgang is, staat Argante tot haar onderstant gereet.

Vondel geeft de aanhef van het epos als volgt weer:

Ick sing de godvruchtige wapenen en den hopman die het treffelyck graf van Christus bevryde; veel heeft hy gearbeyd met syne wysheyd en met synen arm, veel heeft hy wtgestaen in die heerlycke verovering. en te vergeefs heefter sich de hel tegen geset; en te vergeefs wapende sich Asien en het vermengde volck van Libyen, tegens hem (want de hemel hem begunstigde) ende onder de heylige vaendels syne verstroyde gesellen versamelde.

Het eind van deze zin is een regelrechte anakoloet; een duidelijk teken dat dit een pretentieloos kladhandschrift is, want in gedrukt proza zal je Vondel hier niet op betrappen. Het lijkt wel of  hij niet heeft willen of kunnen kiezen wie het onderwerp van versamelde is, Godfried van Bouillon, de hemel, of zelfs de verstroyde gesellen. Onze laat-zeventiende-eeuwse corrector verbetert dit als volgt:

Ik zing de godvruchtige wapenen, en den hopman, die het heerlijk graf van Christus bevrijde; veel heeft hij gearbeyd met zijne wijsheyd, en met zijnen arm; veel heeft hij uytgestaan in die roemrijke verovering: en te vergeefs heeft ’er zich de hel tegen gezet: en te vergeefs wapende zich Azie en het vermengde volk van Libijen, tegens hem (want de hemel hem begunstigde) en onder de heijlige vaandels verzamelde hij zyne verstroyde gezellen.

 Voor de studie van Vondels tekst is het van groot belang de identiteit te kennen van degene die zich geroepen voelde om zoveel verbeteringen aan te brengen. Iemand met zo een duidelijk profiel, met zo een herkenbaar handschrift (hij beheerst zowel de romeinse als de gotische letters perfect), die moet toch te vinden zijn?

 Vandaar de oproep aan alle Nederlandse, Italiaanse en Engelse lezers: kijkt u eens naar het hiernaast afgebeelde handschrift, en als u de hand herkent vertel het aan Dick van der Mark, opdat hij bij de voorbereiding van zijn proefschrift van deze frustrerende vraag af is.

 Maar misschien dat u het handschrift niet herkent, en toch iets aan de Tassokunde wilt bijdragen. Dan maak ik u graag attent op de Tasso-groeipagina. Behalve Vondel heeft ook Joan Dullaert een vertaling van Jeruzalem Verlost vervaardigd. Eveneens in proza, en helemaal niet slecht. Dullaerts vertaling is compleet, en in 1658 in Rotterdam gedrukt. De aanhef van het eerste canto klinkt bij hem zo:

Ik zing de Zeeghaftige wapendaden van een grooten Held, die vol van Godvruchtigen ijver het heilige Graf van Jezus Cristus ging verlossen. Maar eer hij zoo braven aanslag ten einde brocht, is het niet te gelooven, hoe veel tegenspoed hij in deze heerlijke overwinning leed. Echter was het te vergeefs dat de Hel haar daar tegen stelden, en dat het volk van Azië en Libien, onder een vermengd, zich tegens hem haar wapenden. Want alles kan niet hinderen als men de Hemel te hulp heeft. Ook stelden hijze niet alle onder zijn Banieren die hem in deze Reis navolgden.

 Een vertaling die in allerlei opzichten afwijkt van die van Vondel. Dullaert helpt de lezer ongevraagd een handje door niet te vertalen maar te parafraseren; daarmee verdwijnt de epische formulering van de nota bene godvruchtige (pius, een toverwoord bij Vergilius) wapenen, die verwijzen naar de aanhef van de Aeneis. Opvallend is hoe anders hij de slotzin (“e sotto ai santi segni ridusse i suoi compagni erranti”) opvat. De vraag is inderdaad of Godfried erin geslaagd is al zijn ronddwalende troepen onder zijn banieren te verzamelen. Wat zou het mooi zijn als ook Dullaerts tekst digitaal beschikbaar kwam. Het zou het een bruikbaar referentiepunt opleveren bij het onderzoek naar Vondels vertaling. Voor een computer (ocr) is het zetsel net te onregelmatig; hier moet de menselijke hand aan worden geslagen. Grote delen van de tekst zijn al gedigitaliseerd, of bij vrijwilligers in bewerking. Het is een dankbare opgave voor iedereen die een aantal pagina’s wil uittypen. Proza, vrijwel zonder opmaak, dus zonder veel instructies kunt u aan de slag.

Dus twee vragen: wie is de auteur van de kopie in de Bodleian,  en wie wil een canto van Dullaerts vertaling op zich nemen? dickvandermark@hotmail.com en a.j.e.harmsen@hum.leidenuniv.nl wachten met spanning op uw antwoord.