Uw gouden grif

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (48)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?
 

Door Marc van Oostendorp

Hoe het Nederlands langer dan zo’n honderd jaar geleden geklonken heeft, kunnen we alleen maar construeren. Bij gebrek aan geluidsopnamen moeten we het doen met de schaarse keren dat iemand de moeite heeft genomen precies te noteren hoe het voelde om, pakweg, een /r/ uit te spreken – en met gedichten.

In alle tijden hebben dichters aandacht besteed aan de klank van hun gedichten. Door daar precieze aandacht aan te besteden, kunnen we wel het een en ander leren over hoe een en ander geklonken moet hebben. Uit het feit dat Hooft en zijn tijdgenoten beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen begonnen af te wisselen, weten we dat zij de klemtoon op ongeveer dezelfde plaats in ieder woord hebben moeten gelegd als wij nog steeds doen: lees een gedicht met moderne klemtonen en het klinkt nog steeds goed. (Deze opmerking kan bovendien een onderzoeker in de 25e eeuw verder helpen, wanneer hij haar vindt in de digitale archieven van de KB: ja, onderzoeker, aan het begin van de 21e eeuw hadden wij dezelfde klemtoon als P.C. Hooft. Tof trouwens, dat je je richt op deze dode taal.)

Maar ook het rijm kan informatief zijn, bijvoorbeeld in dit bekende sonnet van Hooft:

Er bestaat ook deze andere spelling van:

Vonckende God, of Geest van Godes naeste neven;
Die hart aen hart met vuijr gesuivert innelijft,
Waerin vw gouden grif gloejende wetten schrijft,
Daer niemands wil af schrickt, of tegens denckt te streven;
Ontternt mijn borst, en bidt de voester van mijn leven,
Die met een soete windt mijn tedre sinnen drijft,
Soo lang tot op mijn hart haer ooghe stilstaen blijft,
Aenschouwen wat daer in is van vw handt geschreven:
Daer salse lesen mijn eeuwighe slavernij,
En d’ eindeloose macht van d’ opperheerschappij
Die haer verheven deuchdt heeft op mijn Siel bevochten;
Waer voor haer mijn gemoedt nedrighe jonst betóónt,
En haer gesegent haijr met groene cranssen cróónt
Van eerlijck laurenlof en soete mijrth gevlochten.

In dit gedicht rijmen innelijft, schrijft, drijft en blijft, net als slavernij en opperheerschappij. Voor zover ik heb kunnen nagaan rijmt bij Hooft slavernij nooit op pakweg ei. Dat kan twee dingen betekenen: misschien lette hij behalve op de klank ook op de spelling (zoals drs. P scheen te hebben gedaan, die naar verluidt vondt dat rauw niet mocht rijmen op louw). Waarschijnlijker is echter dat voor Hooft ij en ei verschillend klonken. Hoe precies, dat kunnen we dan weer niet achterhalen. Ik denk niet dat ij nog klonk als ie (zoals in sommige Nederlandse dialecten, waarin ze nog steeds tied zeggen), want ik vindt bij Hooft ook nergens een plaats waar slavernij rijmt op, zeg, zie.

Interessant is dan natuurlijk dat in de bovenste spelling innelijft en slaverny een verschillend symbook gebruiken. Zoals het trouwens ook interessant is dat in de onderste spelling betóónt en cróónt accenten hebben, die in de onderste gedichten ontbreken. Ach, was ik maar een student, dan kon ik lekker alle rijmwoorden van P.C. Hooft bij elkaar zetten om te zien wat er allemaal aan de hand was.

In dit sonnet zit bovendien een andere rijmvorm die al even informatief kan zijn: alliteratie. Geest van Godes…; gouden grif gloejende…; borst, en bidt; cranssen croont: dat zijn teveel voorbeelden om toeval te zijn. Dat werpt op zijn beurt mogelijk weer licht op een ander intrigerend aspect van Hoofts spelling: het gebruik van gh in bijvoorbeeld gheest. Het feit dat dat woord lijkt te allitereren suggereert dat die gh niet echt anders klonk dan de g. Het feit dat er een alternatieve spelling bestaat, als Geest, geeft dat natuurlijk ook al aan.