Tweedeling tussen zwarte piet en Zwarte Piet


Vorige week werd uiteraard in diverse media uitvoerig stilgestaan bij de aankomst in Nederland van de heilige Sint-Nicolaas en zijn gevolg. In deze berichtgeving maar ook in de bij tijd en wijle oververhitte discussies over de gelaatskleur van de pieten (of Pieten?) viel mij ook een taalkundig interessant fenomeen op: de rol van de hoofdletter. Vooral de schijnbare willekeur prikkelde mijn nieuwsgierigheid. We zien namelijk zwarte pieten en Zwarte Pieten. En door de komst van nieuwe exotische pieten krijgen we nieuwe verwarring: schrijven we Regenboogpiet of regenboogpiet? Hoe zit het toch met die vermaledijde hoofdletter?

In de Technische Handleiding uit 2009, waarin de regels voor de officiële spelling van het Nederlands zijn weergegeven, treffen we een op het eerste gezicht heldere hoofdregel aan: soortnamen worden met een kleine letter geschreven en eigennamen met hoofdletter. Voorheen werd de ‘knecht van Sinterklaas’ aangeduid als Zwarte Piet, mét hoofdletter dus. We kunnen dan overduidelijk spreken van een eigennaam.

De ANS is vrij duidelijk over het onderscheid tussen soortnaam en eigennaam. “Soortnamen onderscheiden de ene soort wezens of dingen van de andere. Eigennamen onderscheiden individuen van elkaar. Ze worden gewoonlijk met een hoofdletter geschreven; ze kunnen ook zonder bepaald lidwoord iemand of iets ‘identificeren’.” (geciteerd uit de Elektronische ANS) De Technische Handleiding vermeldt in een volgende paragraaf dat ook een hoofdletter geschreven dient te worden bij het noemen van een fictieve persoon en soms bij personificaties. Als toelichtend voorbeeld staat Zwarte Piet expliciet vermeld. Tot zover zijn de regels duidelijk en moeten we dus kiezen voor de variant met hoofdletter. Of ligt het toch genuanceerder?


Het Nederlands kent immers ook tal van woorden die in de ene context de waarde van soortnaam hebben en in de andere die van eigennaam. Hiermee kunnen we verklaren dat Alzheimer, de persoon, met hoofdletter geschreven wordt en alzheimer, de ziekte, met een kleine letter. We kunnen dit ook toepassen op Sinterklaas. Sinterklaas krijgt immers een hoofdletter als het woord een eigennaam betreft en een kleine letter als sinterklaas een soortnaam is, een benaming voor een willekeurige persoon die zich als Sinterklaas heeft verkleed (denk aan: wie speelt sinterklaas bij ons op school?). Deze redenering volgend kan zwarte piet ook verwijzen naar verschillende personen die voor Zwarte Piet spelen. 

Maar misschien ligt het in het huidige tijdsgewricht nog gecompliceerder. Gezien de discussie over het al dan niet racistische karakter van de figuur Zwarte Piet kun je wellicht zelfs beargumenteren dat zwarte piet met kleine letter geschreven moet worden, omdat het hier een etnofaulisme (scheldwoord op etnische basis) zou betreffen, vergelijkbaar met het woord kaaskoppen. Als je deze redenering volgt, zou zwarte piet altijd met kleine letter geschreven moeten worden, afgezien van het min of meer theoretische voorbeeld van iemand met de eigennaam Piet die zwart is (“Zwarte Piet moet nu toch echt in bad gedaan worden”). 

Tot slot wordt het beeld nog verder vertroebeld door samenstellingen waarin het woord Zwarte Piet voorkomt. Is het nu de zwartepietendiscussie, Zwarte Pietendiscussie, of zijn zelfs nog leestekens nodig zoals het koppelteken (Zwarte Piet-discussie)? Een vraag waarvoor de gemiddelde taalgebruiker zich waarschijnlijk weinig interesseert. Is dat erg? Welnee, voor kinderen zijn alleen het snoepgoed en de grapjes van belang, voor volwassenen is de spelling van de figuur Zwarte Piet wel het laatste waar zij zich druk over maken.