Twintig jaar doctor

Door Marc van Oostendorp


Ik kan me de 16 oktober 1995 nog tot in groot detail voor de geest halen. Het is de dag dat ik mij voor het eerst dr. mocht noemen nadat ik in Tilburg dit proefschrift had verdedigd. Voor de gelegenheid heb ik dat proefschrift weer eens doorgenomen. Hoe verouderd was het inmiddels?

Aan de ene kant vind ik het nog steeds niet zo verouderd. Het idee van mijn proefschrift is dat de Nederlandse lettergreep een tent is, met de klinker als tentstok en de medeklinkers eromheen gedrappeerd als doek. De kracht van de stok bepaalt hoeveel en hoe zwaar het doek is dat je eromheen kunt hangen.

De toonloze e is bijvoorbeeld een behoorlijk krachteloze klinker en duldt daarom maar weinig medeklinkers.
Je kunt er hooguit één medeklinker voorzetten (lopen) en niet twee, zoals bij andere klinkers (prik, knap, straat)  De uitzonderingen zijn een paar Franse leenwoorden zoals oeuvre, maar zelfs die passen zich meestal aan, zoals papaver. Na veel andere klinkers kun je bovendien minstens twee medeklinkers zetten (ramp, lomp), maar na een toonloze e kan er ook hier hooguit één (en dan nog een uit een vrij beperkte keuze van medeklinkers; hoewel je aan het eind van ieder woord wel nog gratis s’en en t‘s kunt strooien, zodat je dus anders en enkels kunt hebben).

Dat alles komt dus doordat de toonloze e zo zwak is: je maakt hem door je mond open te doen en de lucht naar buiten te stoten, hij heeft verder niets onderscheidends, geen geronde lippen, zoals de o, geen tong naar voren, zoals de i, niets. Die onderscheidende kenmerken zijn kennelijk nodig om van een klinker een stevige tentstok te kunnen maken.

In essentie lijkt me die gedachte eigenlijk nog wel juist, al is hij in mijn proefschrift ingebed in allerlei formalismes die op dat moment geheel nieuw waren. Dat was fijn, want ik beheerste die formalismes beter dan mijn promotoren, maar inmiddels beheers ik ze nog beter. Bovendien ben ik inmiddels geneigd wat minder makkelijk over bepaalde problemen heen te stappen (wat betekent het bijvoorbeeld om te zeggen dat oeuvre ‘maar’ een leenwoord is, het is toch inmiddels potdorie ook wel een Nederlands woord, of niet dan!) en er zijn allerlei nieuwe inzichten op allerlei gebied gekomen die ik ook wel had willen verwerken.

In het voorwoord van mijn proefschrift schrijf ik dat mijn tijd als AiO de beste tijd van mijn leven was ‘until now’, en ook dat is helaas in essentie natuurlijk nog steeds waar. Jong en enthousiast zijn en het onderzoek ontdekken en iedere dag met een koffertje naar de universiteit gaan, terwijl in dat koffertje een almaar groeiend – ik printte iedere pagina trouw uit – manuscript zit, en van alles dat mis gaat de schuld geven aan je promotoren, dat gebeurt natuurlijk allemaal nooit meer.

Ik ben ook niet ontevreden over de twintig jaar dat ik doctor was, maar geen document blijkt me zo te kunnen vervullen met melancholie als mijn proefschrift.