Een blij hoop hemelhertie

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (40)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Als deze geschiedenis van het Nederlandse sonnet ooit klaar is, moet deze kroniekenschrijver een nieuw onderwerp kiezen. Soms droomt hij weg boven zijn veertien regels en denkt aan die dagen, wanneer hij eindelijk een groot werk kan aanpakken: het verkleinwoord! De manier om meisje, boekje, hartje te zeggen, is in alle dialecten anders (dan weer je dan weer ke of jen, of kijn; dan weer umlaut en dan weer niet) en in geen enkel dialect ooit erg stabiel geweest. De geschiedenis van het diminutief wordt de geschiedenis van een wilde bloementuin.

Van over sonnetten schrijven komt mij weinig bate, maar af en toe komt hier ook een verkleinwoordje voorbij, bijvoorbeeld in het volgende gedicht dat Tessel Visscher op de dag dat ze gedacht dat haar man Allert Crombagh twee jaar eerder overleden was:


Ghelijck als Onder’t Juck van sinne slavernijen
Doch ongheoorloft aenghenoemen Eyghen Last,
Hetgheen niet wel een blij Hoop Heemelhertie past
‘Twelck van onhoulyck goet Qualyck is te vryen,
‘tIs onRecht seij de Geest gheruste vreucht te myen,
Maer ’t Lichaem Riep O Neen, en doopten d’Overlast
Met Naem van suchte-Plicht tot het in Traenen Plast
Soo Most de vlughe Geest van ’t Logghe Lichaem Lijen.
Vandagh een stercker Geest dat van syn Aerde Licht
En overReed’ het dus, en Eysten ander Plicht
Alst ’t vruchteloose wrangh van Alherts smack verJaeren,
 Dees deed’ dat ick de Sucht weerstribbich van my stiet
Gheluckich was hy diese teenemael verliet
En op soo Heijlgh’n dach mocht Salich HEEMELVAEREN

Elck zyn waerom

Het fijne van het gedicht is dat een gebruikelijker gedachtegang wordt omgedraaid. Meestal zou de calvinist zeggen dat het lichaam streeft naar allemaal ongewenste pleziertjes en dat de ziel zich daartegen keert. Hier is het de ziel die licht wil zijn en het lichaam dat maar aan de rouw wil vasthouden. Misschien was die omkering in de zeventiende-eeuw gebruikelijker dan nu; in ieder geval lijkt hij me juist.

Visscher geeft de ziel een passend huis in een ‘blij hoop heemelhertie‘, een lekker allitererend hartje dat zijn blijde hoop op de hemel heeft gevestigd – en een uitdrukking die in een betere wereld in de omgangstaal terechtgekomen was. Die drie woorden samen vatten het hele gedicht, en een hele levensinstelling samen.

Dat hertie is op zich ook een bijzondere vorm. Het hart heeft een umlaut gekregen (hertie klinkt hetzelfde als härtie), maar dat gebeurde wel vaker, ook in niet-verkleinde vormen. Maar het interessantst is nog wel de ie.

Dat je een verkleinvorm maakt met –ie is niet bijzonder: meissies en boekies zijn er nog steeds bij de vleet. Maar bij woorden die eindigen op een t of een d is die uitgang een zeldzaamheid. Afgezien van een enkele plaats in het zuiden van Zuid-Holland komt een vorm als (ongeveer) kattie alleen in Drenthe en Salland voor, zoals de bovenstaande kaart laat zien. Een reden daarvoor is mogelijk dat tj een aantrekkelijke combinatie is, van twee medeklinkers die prettig samen uit te spreken zijn. Tje heeft daarom iets boven tie op een manier die pje of kje niet hebben.

Tessel Visscher kwam niet uit het zuiden van Zuid-Holland en ook niet uit het oosten. Desalniettemin gebruikte ze hertie. Hoe zag het landkaartje van verkleinwoorden er toen uit? Dat zou ik graag willen weten.