Is onze taal niet toe aan groot onderhoud?

Onverwachte taalvragen aan de Nationale Wetenschapsagenda (10)

Door Marc van Oostendorp

Zou het verschijnsel van het gezonken cultuurgoed ook in de natuurwetenschappen bestaan? Dat je inzichten moet bestrijden die honderd jaar geleden inderdaad gebruikelijk waren, maar dat inmiddels onder onderzoekers niet meer bestaan? Je hebt natuurlijk mensen die de evolutietheorie ontkennen, maar dat is toch wat anders – ik geloof niet dat zulke mensen dan in plaats daarvan lamarckianen zijn.

In de menswetenschappen is het schering en inslag: terwijl onderzoekers een bepaalde manier van kijken onderhouden, halen hun tijdgenoten hun schouders op over zoveel wereldvreemdheid. En als de onderzoekers erachter komen dat die manier van kijken inderdaad niet werkt, begint die oude manier van kijken door te sijpelen en wordt voortaan als de normale beschouwt.
En zo denken sommige mensen nog hetzelfde als zeventiende-eeuwers over taal, getuige vragen aan de Nationale Wetenschapsagenda als de volgende:

  • Is onze taal niet toe aan groot onderhoud? Taal is het middel voor de overdracht van kennis en betekenis tussen mensen. Intermenselijke communicatie blijkt nu vaak een bron van misverstanden soms leidend tot misverstanden en conflicten. De effectiviteit van taal als instrumentarium om kennis en betekenis als zender zo te kunnen coderen resp. als ontvanger zo te kunnen decoderen dat optimaal is gewaarborgd dat berichten goed overkomen, kan worden vergroot door o.a.: 1) Het verwijderen van ambiguïteit d.m.v. a) reductie van synoniemen en homoniemen en b) eenduidige definiëring van begrippen o.b.v. een heldere taxonomie van concepten (met “ding” als ultiem, abstract, generiek supertype bovenin de klassenhiërarchie). Door terugkeer naar zelfverklarende woorden met: 2a) kwartier wordt kwartuur, eekhoorn wordt eikhoorn, oorzaak en oorsprong worden oerzaak en oersprong en bijv. twintig wordt tweetien, dertig wordt drietien, etc. Bijv. 324 wordt dan driehonderd tweetien vier. En met 2b) uitleg over de herkomst van woorden. Bijv. dat woorden met “scoop” erin verwijzen naar skopeeo = Grieks voor kijken zodat bioscoop = levenskijk, microscoop = kleinkijk, periscoop = omkijk, etc. Door 3) herintroductie van naamvallen zodat de rol van woorden binnen zinnen duidelijk is (wie of wat is de operator?, wie of wat de operand?, etc.)
Machine
Uit de vraag spreekt een ongebreideld vertrouwen in de maakbaarheid van de taal: hoewel niet precies gezegd wordt wie de punten 1), 2a), 2b) en 3) precies allemaal tot uitvoering moet brengen – het onderwijs?  de Tweede Kamer der Staten-Generaal? Frits Spits? – gelooft degene die hier aan het woord is dat het mogelijk is om dergelijke veranderingen tot uitvoer te brengen.
Er zijn meer vragen waar dat vertrouwen uitspreekt, en ik heb er hier al over geschreven
Het is moeilijk nu nog een taalkundige te vinden die naar eer en geweten zou durven beginnen aan het hier geschetste project, maar tot ongeveer de vroege negentiende-eeuw lag dat anders. Ook prominente taalkundigen zagen tot die tijd de taal als een project, een machine die je af en toe onder handen kon nemen voor ‘groot onderhoud’ als hij niet meer aan de eisen voldeed.
Wiskunde
Als moderne taalkundige wordt je geacht dat naïef te vinden, maar tegelijkertijd moeten we toegeven dat de grammatici uit die tijd lang niet altijd onsuccesvol waren – bijvoorbeeld in het introduceren van het verschil tussen hun en hen, of tussen na en naar. Beide onderscheidingen zijn het gevolg van ‘groot onderhoud’ uit de zeventiende eeuw en vooral de tweede is stevig geworteld in het taalgevoel van veel sprekers, bijvoorbeeld in die van mij. Zoals de natuurkundige Simon Stevin ook beroemd werd met zijn succesvolle voorstellen om mathematica te vervangen door wis- en physica door natuurkunde.
In die zin is de vraag dus helemaal niet zo naïef: als er in de zeventiende-eeuw met zoveel succes groot onderhoud is gepleegd op de Nederlandse taal, waarom zou dat dan nu niet lukken? Je kunt daarop alleen maar zeggen dat de tijden veranderd zijn. ‘De Nederlandse taal’ was in die tijd het domein van een betrekkelijk kleine groep schrijvers en wetenschappers die kennelijk voldoende discipline kon opbrengen om voortaan wiskunde te zeggen, en die gaandeweg steeds grotere groepen meekreeg in die standaardtaal. Er valt volgens mij eigenlijk niet te zeggen dat dit nu niet meer zou lukken; het is meer zo dat wij (de huidige elite) geen zin meer hebben in zo’n gigantisch project, en het is daarmee een self-fulfilling prophecy.
Vulpen
Overigens lijkt me dat van deelproject 1b) in ieder geval met zekerheid gezegd kan worden: begin er niet aan. Ook dit werd in de zeventiende eeuw nog door serieuze geleerden als John Wilkins ter hand genomen: we plaatsen alle begrippen in een boomachtige structuur, met bovenaan inderdaad bijvoorbeeld ‘ding’, en daaronder onder andere ‘dier’, en daaronder onder andere ‘zoogdier’, en zo verder. Uitgerekend voor het dierenrijk is dat nog redelijk succesvol geweest, maar voor ieder ander begrip kom je al snel in de problemen (moet een vulpen geclassificieerd worden onder de instrumenten, onder de langwerpige voorwerpen, of onder de kostbare geschenken?): de werkelijkheid laat zich niet in een boomstructuur vangen, ik geloof dat we die conclusie wel kunnen trekken.
Uit onderzoek van het Rathenau Instituut blijkt dat 2,6% van de Nederlanders weet wat de Nationale Wetenschapsagenda is. Wel wil 42% van de mensen graag meebeslissen waar de wetenschap over gaat.