Bestaat er iets voor taal wat vergelijkbaar is met het getal nul voor de wiskunde en exacte wetenschap?

Onverwachte taalvragen aan de Nationale Wetenschapsagenda (9)

Door Marc van Oostendorp

Sommige onderzoekers wezen er in de aanloop naar de Nationale Wetenschapsagenda op dat de initiatiefnemers van die agenda uitgingen van een verkeerd idee: dat onderzoekers er zijn om vragen te beantwoorden. Een belangrijk deel van hun werk bestaat er juist uit om de goede vragen te stellen: vragen die nog nooit gesteld zijn maar wel na onderzoek beantwoordbaar lijken, vragen die niet gaan over triviale details maar ook niet over al te grote dingen, vragen waarop het antwoord ons verder kan helpen. De mogelijkheid zo’n vraag te vinden is een belangrijk deel van het ambacht van de wetenschapper. 
Zo gezien is het de vraag of de wetenschap vooruit komt wanneer niet-onderzoekers hun vragen gaan bijdragen. Maar ik denk dat er meer te beleven is aan vragen, ook aan op het eerste gezicht volkomen beantwoordbare vragen die aan de Wetenschapsagenda gesteld zijn, vragen als:

  • Bestaat er iets voor taal wat vergelijkbaar is met het getal nul voor de wiskunde en exacte wetenschap? Het getal nul verbind allerlei getallenstelsels met elkaar en maakt ze universeel, zodat er één krachtig instrument ontstaat, waarmee de wetenschap zijn vragen te lijf kan gaan. Bestaat er voor taal ook zo’n verbindend element, zodat je in staat bent om filosofieën te verbinden en daarmee de babylonische spraakverwarring van de wereld op te heffen?
Deze vraag is ook al het onderwerp geweest van ons zuster-weblog Wiskunde in de nationale wetenschapsagenda. De blogger daar, Klaas Pieter Hart, wijst er terecht op dat de vraagsteller aan de nul in de wiskunde wel heel verheven eigenschappen toekent. De nul heeft in de wiskunde twee functies: die van een ‘neutraal element’ bij optellen (voor ieder getal n geldt dat n+0 = 0+n = n) en als een belangrijk instrument in de notatie: hoe schrijf je het getal 101 wanneer je geen nul hebt zonder dat dit aanleiding geeft tot allerlei misverstand of complicaties?
Heeft de taal iets vergelijkbaars? Hart meldt dat er in de taalwetenschap wel sprake is van nulmorfemen. De eerste persoon enkelvoud van het werkwoord is er zo een: wij zing-en en hij zing-t hebben de uitgangen –en en –t, en naar analogie daarvan zou je kunnen zeggen dat ik zing-0 een nulmorfeem heeft. Hart zegt dan terecht dat dit niet hetzelfde is als een wiskundige 0, want: “Toevoeging van een nulmorfeem brengt (formeel) een verandering teweeg”. De stam zing verandert in de eerstepersoonsvorm zing.

Nulmorfemen zijn dus nulvormen met wel een soort betekenis maar geen klankvorm. Het omgekeerde bestaat ook: taalstructuren die wel een klankvorm hebben, maar geen betekenis. De zogenoemde bindmorfemen in hond-e-hok en stad-s-kantoor zijn daar mogelijk voorbeelden van: je maakt van hond honde , zonder dat dit (‘formeel’, in de betekenis) iets verandert.

Je zou dus eigenlijk op zoek moeten naar een nulmorfeem dat tegelijkertijd ook een bindmorfeem is: een morfeem dat je toevoegt aan een woord en dat  aan de klankvorm noch aan de betekenis ervan iets verandert. Je zou bijvoorbeeld kunnen postuleren dat er zich zo’n nul voordoet in stad-0-huis: een nulbindmorfeem.

Het probleem is dan dat de taalkunde anders dan de wiskunde uiteindelijk een empirische wetenschap is. De enige reden om zo’n nulbindmorfeem te postuleren is dat het systeem dan mooi werkt en symmetrisch is. In de wiskunde doe je zoiets zonder enig probleem, maar veel taalwetenschappers zullen aarzelen om te onderkennen dat stadhuis eigenlijk uit drie stukjes bestaat.

Als er in de taal al een echte nul is, valt hij per definitie niet te ontdekken.