‘Sodemieteren’ heeft drie dimensies

Door Marc van Oostendorp

Geen enkele zin, hoe zakelijk ook, weerspiegelt alleen maar de wereld. Hij komt altijd van een spreker of een schrijver en wordt daardoor een beetje gekleurd door hoe die spreker of schrijver de wereld ziet – of hoe hij wilt dat wij die wereld zien.
Sommige mensen stellen de wereld in schrillere kleuren voor voor dan anderen. Zij zeggen niet dat ze hun schoenen in de hoek hebben geplaatst, maar dat ze deze daar hebben gegooid. Of gesmeten. Of gedonderd. Of gesodemieterd.
Christine Liebrecht deed onderzoek naar dit soort termen, die ze intensiveerders noemt. Ze promoveert deze week  in Nijmegen op een proefschrift waarin ze onder andere onderzocht hoe Nederlandse journalisten (van NRC Handelsblad en De Telegraaf) en schrijvers op internet intensiveerders gebruiken, en wat voor effect ze hebben op de lezers.
Ze plaatst al die intensifieerders daarbij op in een driedimensionale ruimte. De eerste twee dimensies zijn semantische rijkdom en contextafhankelijkheid. Ze vormen het volgende vlak:
Dumpen is semantisch rijker dan de gooien, omdat de definitie van dumpen zo’n beetje alles omvat dat gooien ook heeft, maar meer (bijvoorbeeld dat het typisch gaat over het weggooien van dingen die je als waardeloos beschouwt). 

Gooien is alleen krachtig in een bepaalde context (‘we gooien de lammetjes in de vrachtwagen’), terwijl je het woord sodemieteren alleen al hoeft te zien om te weten dat het krachtig is. Dat is de tweede dimensie, die van de ‘contextafhankelijkheid’.
In dit geval staan de woorden min of meer op één diagonaal in het vlak, maar er zijn ook taaluitingen die contextafhankelijk krachtig zijn, maar ook semantisch arm. Liebrecht geeft als voorbeeld ‘!!!’

De derde dimensie, ook weer ortogonaal op de andere twee, is die van negativiteit (‘klote’) naar positiviteit (‘fantastisch’). (Opdracht: De drie dimensies beschrijven acht verschillende gebieden, zoals ‘positief, contextafhankelijk en semantisch rijk’. Bedenk voor ieder van die gebieden een aansprekend voorbeeld.)
De indeling in acht kwadranten hielp de onderzoeker. Zo kon ze bijvoorbeeld vaststellen dat de studenten die haar teksten hadden gecodeerd vooral de contextafhankelijke voorbeelden gemakkelijk over het hoofd zagen – de semantische rijkdom van een term maakte hem aan de andere kant nauwelijks makkelijker te vatten als een intensiveerder. Maar ze bleken ook van invloed te zijn op hoe mensen reageerden op teksten waarin veel intensiviseerders gebruikt werden. 
Zo bleken mensen in het algemeen sterker te reageren op negatieve (slecht) dan op positieve (goed) qualificaties.  Dat is op zich een bekend verschijnsel, dat misschien zelfs wel een evolutionaire oorsprong heeft (het is belangrijker om op je hoede te zijn voor het kwaad dan om aangetrokken te worden door het goede). Maar het effect bleek te verdwijnen wanneer je de termen intensiveert: mensen reageren niet heftiger of vreselijk dan op geweldig.