Kick, borr, kick, kick, kick

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (29)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Er zijn geloof ik weinig literaire tradities waarin het sonnet zo veelzijdig is als de Nederlandse. In de eerste jaren wijdden de dichters zich nog vooral aan de hoofse liefde in de traditie van Petrarca. Daarna gaan ze er ook godsdienstige gedichten in schrijven.

Maar dan komt Anna Roemers Visscher aan in Zeeland, om er te logeren bij Jacob Cats en wordt het vrolijk. Ze ontmoet er een groep Zeeuwse dichters die de wereld willen bewijzen dat er ook in hun provincie goede moderne literatuur wordt geschreven. Die dichters schrijven gedichten voor en over Anna en zij reageert met een beroemd geworden en enorm vrolijk Sonnet Aen de Zeeusche Poëten:

Ghy altijt lustich volck, dat met u gheest ghewoon
Te sweven zijt om hooch, en welcoom by de Gooden,
Die u alst feest-dach is op haer bancquet doen nooden
En boven aen het naest Iupiters wijste soon.
O lucksch teghen-deel! van die om wanckel loon
Vermuffen op ‘tCantoir (een graf van sulcke dooden)
V eer ick in mijn hert, u vier ick, als de booden
Van de onsterflickheyt, belommert met haer croon.
Ick heb onlangs verstaen dat ghy met schrandre listen
In Zeelant u quartier begint te Alcumisten
Om gout te maken? Neen! Maer grooter Meester-stick
Neemt ghy-lie by der hant, ‘tzijn wonderlicker curen
Cunt ghy u Nachtegael doen soetjens tureluren
Die in sijn moeders tael roept kick, borr kick, kick kick.

Er zijn natuurlijk de obligate verwijzingen naar goden waar Anna zelf ook helemaal niet in geloofde, maar sommige regels zijn afgezien van een enkel lidwoord verbazingwekkend modern: wat zou je ook om een wankel loon gaan zitten vermuffen op kantoor! En al helemaal als je met je geest omhoog kunt zweven.

Maar bij dat alles hoort ook een beetje plagen. Zeventiende-eeuwse dichters maakten regelmatig gebruik van dialecten – Bredero in de Spaanse Brabander, Huygens in allerle werk – en vaak was dat om er de spot mee te drijven.

Dit gedicht is een aanwijzing van hoe het Zeeuws klonk in Hollandse oren: als het gekwaak van kikkers. En die kikkers zelf klonken dan weer alsof ze kick, borr, kick, kick riepen. In  ieder geval voor die kikkers vind ik dat niet slecht getroffen – beter dan kwak kwak. Vooral die dubbele r in borr geeft het mompelende geluid van zo’n kikker goed weer.

Maar wat heeft dat in vredesnaam met het Zeeuws te maken? Ik denk dat vooral het kik kik een goede aanwijzing geeft: dat zijn heel erg gesloten lettergrepen. Je hoeft je mond nauwelijks open te doen om die klanken te maken. En spreken met gesloten mond is een kenmerk dat traditioneel aan Zeeuwen wordt toegeschreven: ze zeggen jae in plaats van ja. De vroeg-twintigste eeuwse dialectoloog Jac. van Ginneken schreef:

Evenals de Engelschen en Denen sluiten de Zeeuwen de keel min of meer af met de tong om deze te beschermen tegen den guren wind. (Invloed van klimaat).

Het idee dat klimaat van invloed is op het dialect wordt niet meer erg serieus genomen, al verschijnen er zelfs nu nog wetenschappelijke artikelen over die menen een effect te vinden – dat effect is hoe dan ook te subtiel om te denken dat Holland en Zeeland zo van elkaar kunnen verschillen. Maar het is kennelijk een aantrekkelijke gedachte.

Hoe klinkt de taal van iemand die op kantoor vermuft?

Met dank aan Olga van Marion