Nu komt de uit de

Door Marc van Oostendorp

“Dit is een gevalletje aap-mouw”, zei een collega gekscherend. Want dat is de toon waarop die dingen gezegd worden: ironisch. Je hoort het de laatste tijd vaker, of ík hoor het in ieder geval de laatste tijd vaker, samenvattingen van spreekwoorden in twee zelfstandig woorden: ‘spijker-kop’, ‘zwaluw-lente’, ‘boer-kiespijn’.

Het zijn geloof ik altijd zelfstandig naamwoorden en het werkt natuurlijk het best als die zelfstandig naamwoorden buiten het spreekwoord niet zo vaak in elkaars omgeving verkeren. Mensen praten nu eenmaal niet vaak over apenmouwen, maar noch ‘zongen-piepen’ noch ‘ouden-jongen’ roept onmiddellijk het beeld op van continuïteit tussen de generaties.

Nu gaan jullie vast hieronder allemaal commentaar schrijven over dat dit laat zien dat alles steeds korter wordt en sneller in deze tijd, want op de radio praten ze ook zo snel en kijk maar naar Matthijs van Nieuwkerk en Ton van der Wouden. Maar in taalzaken is dat altijd zo geweest: een heleboel taalverandering uit alle eeuwen bestaat uit het voortdurend slijten van woorden en zinnen.

Ik denk bovendien niet dat het degenen die aap-mouw zeggen te doen is om de fractie van een seconde tijdwinst die het oplevert om de rest van het gezegde niet uit te spreken. Dat verklaart ook de gekscherenderij niet waarmee een en ander gepaard gaat. Het maakt het gezegde net iets pikanter omdat de luisteraar een klein beetje meer werk moet doen. Het brengt het cliché tot leven.

Dat het precies de zelfstandig naamwoorden zijn die je hiervoor moet gebruiken, zegt mogelijk iets over de manier waarop ons geheugen werkt. Zo’n gezegde zit kennelijk niet zomaar als een klomp taal in ons hoofd, maar heeft de structuur van een zin. Zelfstandig naamwoorden zijn nu eenmaal de meest betekenisvolle woorden in de taal — iedereen kent er tienduizenden voor van alles en nog wat. En kennelijk kan een ongebruikelijke combinatie in heel korte tijd een spreekwoord oproepen: nauwelijks meer dan het kost om nukomtdeuitde te zeggen.