Hoe zou De Ruyter echt gesproken hebben?

door Jan Stroop

In De Taalstaat (programma op radio 1, zaterdag van 11 tot 13 uur) van 31 januari ging ’t over de film Michiel de Ruyter. Wie verwacht had dat het dan in elk geval ook over de taal zou gaan die in de film gebruikt wordt, kwam bedrogen uit. ’t Ging vooral over hoe ’t scenario tot stand gekomen was en over ’t grappige feit dat zowat alles aan de film over de monumentale Zeeuw De Ruyter Brabants is: scenarioschrijver, regisseur en hoofdrolspeler.
Er is wel discussie geweest naar aanleiding van de film, onder andere over de vraag of de historische feiten wel recht gedaan is. Maar dat De Ruyter in de film spreekt met een sterk Brabants accent, daarover is geen woord gezegd. Blijkbaar is dat niemand opgevallen, terwijl ’t een vaststaand feit is dat de echte De Ruyter geen Brabants gesproken heeft.
De Ruyter (1606-1676) is in Vlissingen geboren. Hij heeft in zijn kinderjaren Zeeuws gesproken. Er was daar ook niets anders voorhanden. Algemeen Nederlands bestond nog nauwelijks en was zeker nog niet doorgedrongen in het gewest Zeeland. Volgens zijn biograaf P.J. Blok (Michiel Adriaanszoon de Ruyter (1928)) heeft De Ruyter “zijn Vlissingsch dialect [……] ook later nooit verloren.” De Ruyter is drie keer getrouwd, telkens met een Zeeuwse. Blok concludeert:  “Zeeuwsch van taal en gewoonte bleven man en vrouw beiden tot hun dood.”  Blok zal dat wel niet verzonnen hebben, maar waar hij zijn conclusies op baseert, onthult ie niet.
De Ruyter heeft een omvangrijk archief nagelaten: 1900 bladzijden brieven en Scheepsjournalen. Die nalatenschap is tot in detail onderzocht door de taalkundige L. Koelmans. Hij heeft er drie wetenschappelijk boeken aan gewijd en ’n aardig boekje voor een breder publiek , ‘Michiel de Ruyter in eigen woorden’, dat voor een spotprijs te koop is bij Bol.com. Ik heb Koelmans volop geraadpleegd, maar zijn opvattingen neem ik niet altijd over.
Uit ’t schriftelijke taalgebruik van De Ruyter kun je  natuurlijk niet opmaken hoe hij sprak. Zoiets geldt ook bij hedendaagse schrijftaal. Schrijven wordt voor een groot deel immers bepaald door conventies die je op school leert. Volgens Blok heeft De Ruyter redelijk leren lezen en schrijven. Maar een echte standaard bestond nog niet, vandaar dat er ook Zeeuws in zijn geschriften doorsijpelt.
Dat Zeeuws uit de 17e eeuw is sindsdien betrekkelijk weinig veranderd, veel minder dan bijvoorbeeld ’t Brabants, o.a. doordat de diftongering (ii > ei; uu > ui) aan ’t Zeeuws voorbijgegaan is. Gewapend met de kennis van ’t hedendaagse Zeeuws bekijk ik nu De Ruyters schriftelijke taalgebruik. Daarbij gaat ’t me om de elementen die niet Hollands zijn. Anders gezegd, wat De Ruyter op school geleerd en afgeleerd heeft, blijft buiten beschouwing.
In ’t Nederlands van Brabant en Holland is al vanaf de 14e eeuw de stomme e op ’t eind van een heleboel woorden afgevallen. Dat is niet gebeurd in het zuidwestelijke deel van ons taalgebied, dus ook niet in ’t Zeeuws. Je kunt dat horen, maar ook zien aan de locatie van tientallen plaatsnamen die eindigen op –kerkeBiggekerke, Hoedekenskerke, Duinkerke, Serooskerke, enz. De Ruyter schrijft in zijn “Jordenaelen” regelmatig veel substantieven met die slot-ecomste, nychte, kerdoes kyste, enzovoorts. Dat hij zo schreef, is omdat ie dat zei.
Specifiek Zeeuws is de formatie ons ben zunig.Dat weet ook de moderne mens en dat wist De Ruyter natuurlijk ook. Vandaar waarschijnlijk dat hij die liever niet gebruikt. Hij wil tenslotte een soort bovengewestelijk Nederlands schrijven. Dat ons als onderwerp ontbreekt, maar de meervoudsvorm benontglipt zijn pen nog wel eens: Tegen den avont ben wy mede gemonstert  (1658). 
Veel vaker gebruikt hij de regionale enkelvoudsvorm ik zijn: den eersten smorgens vroech syn ick aen boort gevaren (1666);  soo syn ick met den donker wt de stadt vertrocken (1659). In één zin kwam ik zowel ick ben als ick syn tegen: Dese morgen ten 8 uren ben ick verjaert en syn dese mor[g]en 69 jaer geworden(1676). Verjaert in de betekenis ‘jarig’ is nog Zeeuws en West-Brabants. Opmerkelijk is dat ik zijn tegenwoordig uit het Zeeuws verdwenen is. In Zeeuws-Vlaanderen wordt ’t nog wel gezegd en ook in West-Brabant. Door De Ruyter weten we dus dat de eiland-Zeeuwen ik zijn in de 17e eeuw nog gebruikten.
Ook de objectsvorm van de eerste persoon enkelvoud mynkomt regelmatig voor. De sweden waren […] gecomen om myn met eenyge Capteynen syen te atraperen ‘te overvallen’ (1659). Dat den amyralen tromp en mepelen wel twee mylen bewesten van myn [bleven](1666).  
De Ruyter gebruikt ook woorden die Zeeuws zijn: Oraengen(sinaasappels), een woord dat in ’t moderne Zeeuws ook nog bestaat. Dat laatste geldt ook voor leech (laag), maar niet voor dysych (mistig) en slinks (links). De laatste twee zijn praktisch verdwenen. Natuurlijk schrijft De Ruyter leggen in plaats van liggen: Tot morgen souden [we] vermogen te blyven leggen  (1665). P.C. Hooft deed dat ook en ze waren niet de enigen. Tegenwoordig is dat leggenmet twee betekenissen in gesproken westelijk Nederlands trouwens nog volop aanwezig.
Dat De Ruyter zijn heel leven Zeeuws is blijven spreken daar twijfel ik niet aan. Dat doet ook zijn biograaf niet: “zijn Vlissingsch dialect heeft hij ook later nooit verloren.” (Blok 11) . Waarom zou die ook. Aan boord van de schepen waren zeelui overal vandaan, met navenant afwijkend taalgebruik. Aan wiens taalgebruik moet je je dan aanpassen? Bovendien is ’t Zeeuws goed verstaanbaar voor mensen uit een andere regio.
Aan de spelling van zeventiende-eeuwse geschriften kun je meestal niet aflezen hoe er gesproken werd, of anders gezegd, waar die spellingen voor staan. In het bijzonder is dat lastig bij de spelling van de lange ij en de ui. Die tweeklanken (diftongen) zijn ontstaan uit respectievelijk ii en uu. Dat diftongeren is begonnen in de 15e eeuw in ’t Brabantse. Vandaaruit heeft dat proces zich verder verbreid. In Zeeland is de diftongering nooit doorgedrongen, in Holland wel en de gevolgen waren daar zeker in De Ruyters tijd al volop hoorbaar.  
In ’t Zeeuws bleef naast de korte ei, dus de oorspronkelijke lange ii (ij) als ie bestaan: kieken, wief, mien. Nu kwam De Ruyter regelmatig in aanraking met personen die de lange ii op z’n nieuwerwets als ei uitspraken.Vraag is dus of we uit zijn schrijfwijze kunnen afleiden hoe hij zelf die ij uit sprak. Bij De Ruyter lijkt me dat mogelijk omdat hij, zeker voor een zeventiende-eeuwer, behoorlijk consequent spelt.
  
De Ruyter schrijft de korte ei consequent als eycleynder,  heylige, seyl, seyn, seyde, enzovoorts. Maar de klinker die ’t equivalent is van de zogenaamde lange ij, die tegenwoordig nog steeds geschreven wordt als ij, schrijft hij met een ymyl, gy, styf, dryven, ty, syn , ys, wysheyt, crygen, enzovoorts. Koelmans, die over De Ruyters taalgebruik gaat, meent dat uit deze schrijfwijze niet af te leiden is hoe de klinker uitgesproken werd. Ik denk daar anders over. De sleutel tot de interpretatie van de klankwaarde van deze y’s vormen de woorden die tot op heden hun monoftong ii bewaard hebben en nog steeds met ie uitgesproken worden.
Doorgaans zijn dat leenwoorden: predycant, syto  (cito), dyto(dito) alycante  (Alicante), sysylya (Sicilië), gybaltael  (Gibraltar), trypolyen (Tripoli), amyralyteyt  (admiraliteit), levytykus (Leviticus), gevyseteert(gevisiteerd). Omdat De Ruyter bij deze woorden, zeker bij exotische aardrijkskundige namen, moest afgaan op zijn gehoor, is zijn schrijfwijze y ’t teken voor de klank ie. Dat is dus ook ’t geval in woorden als myl, gy, styf, dryven, ty, enzovoorts.
In dezelfde periode, namelijk in 1664, schrijft een Amsterdamse zeemansvrouw, Annetje Alberts, aan haar man: wante weij kene de briwe der soo nit na tu kreijgen (‘want wij kunnen de brieven daar zo niet naar toe krijgen)’, uit het corpus Brieven als buit. De spelling eij in weij en kreijgen staat hier voor de tweeklank ei, het teken dat Annetje ook gebruikt voor de korte ei. Ze schrijft swerigheijt en gesuntheijt. Die twee ei’s werden dus eender uitgesproken, net als in ’t tegenwoordige Nederlands, al moeten wij ze nog verschillend spellen: klein en fijn.  

De spelling van vreemde woorden kan ook uitsluitsel geven bij de interpretatie van de spelling uy. Zulke vreemde woorden, vooral namen, staan er volop in de geschriften van De Ruyter: luybyck(Lübeck), luycresya (Lucretia), luycas (Lucas), tuynys (Tunis), duyblycaet(duplikaat), luythers (Luthers), suyryname (Suriname), restuystye (restitutie), juyly, apseluydt (absoluut), enzovoorts. De Ruyter hoorde in deze woorden een uu en hij schreef die consequent als uy. Dus ook de volgende Nederlandse woorden hadden die uu-uitspraak:  huysgesyn, gebruycklyck, buyten,  luyster, suydelycker, ruym, vuyle, onstuymych, combuys, enzovoorts.  
Het Zeeuws kent wel een ui-diftong, de zogenaamde ui2, die een andere oorsprong heeft dan de ui die uu ontstaan is. Hij is present in woorden als bui, lui, fluit (een bepaald type schip), buit,  fruit, ruilen.  Deze uikrijgt bij De Ruyter een spelling die verschilt van die van de uubuey, leuhycheyt,  fleut of fleuyt, beuydt, freuyt en verreult
’t Opvallendst bij De Ruyter is zijn behandeling van de h aan ’t begin van woorden. De Ruyter is afkomstig uit een gebied waar de h geen foneem is, waar die klank doodeenvoudig niet meer bestaat: oog water (‘hoog water’). De schrijftaal die hij op school leerde, was voor hem een exogeen taalsysteem, een vreemde taal, die op dit punt haaks staat op zijn endogene dialect, omdat die de h wel heeft. De geschriften van De Ruyter laten zien dat ie altijd moeite gehad heeft met die h en daar altijd onzeker over gebleven is.
Ik ken dat uit eigen ervaring, afkomstig als ik ben uit ’t h-loze gebied waar ook Zeeland deel van uitmaakt. Nog steeds kan ’t gebeuren dat ik de h weglaat of op verkeerde plaatsen invoeg, bijvoorbeeld in ’t vuur van een spreekbeurt. Dat overkomt me vooral als twee lettergrepen elk met een hbeginnen, of een van beide. Een woord als heelhuidskomt dan niet ongeschonden uit mijn mond. Huisartskan zomaar uisharts worden, Enkhuizen wordt Henkuizen (‘anticiperen’ noem ik dat laatste, achteraf). Ik heb daar bij ’t schrijven geen last van, dacht ik, De Ruyter wel. Hij is blijkbaar zo weinig vertrouwd met ’t woordbeeld, dat ie nu eens schrijft hankers en heylant, een volgende keer ankers en eylant.
Voorbeelden van hypercorrecte h’s zijn er  te over: hapcoude,  voorhuydt (varen), verhooverde, ten heten (vragen), hantwoort,  hoorloge, hydder (ieder), syn heygen resoluysye.  Soms verschijnt die h ook middenin een woord: leuhycheyt (luiïgheid) .
Weggelaten h’s hebben we in: evych(hevig), alf (half), eden (heden), alsemast(halsemast), agel (hagel). Ik denk dat De Ruyters onzekerheid er de oorzaak van is dat het aantal hypercorrecte h’s groter is dan ’t aantal weggelaten h’s. Beter overdrijven in de goede richting dan andersom, zoals we bij als/dan-freaks nog wel eens een ‘hij is even groot dan z’n zus’  kunnen horen. 

Wat zou ’t aardig geweest zijn als we de grote De Ruyter in de film hadden horen worstelen met zijn h’s of hem ‘zunig mè da kruut’ hadden horen zeggen. Er is dan misschien geen Zeeuw te vinden met zo’n kop als die van Frank Lammers (Mierlo, N.Br), maar de moderne techniek van de nasynchronisatie staat voor niets. Trouwens Lammers zou ’t ook best zelf kunnen, zo moeilijk is ’t niet. Zeker niet in een scene als deze die Blok (71) aldus beschrijft: “De Ruyter van zijn kant sloeg zich eveneens tweemaal, dapper „Zeeuwsche taal” sprekend, in „hitsigen strydt” dwars door de Engelschen heen.” In zijn eigen woorden: Soo dat eyndelyck ick gestadych ryep val aen mannen val aen, althans dat schrijft ie, want wat De Ruyter in de hitte van de strijd werkelijk riep, was natuurlijk haanvalle mannen, vermoed ik.