Het menselijke element van missen

Door Marc van Oostendorp


Onlangs, begon een van mijn anglistische vrienden – ja, ik heb anglistische vrienden – over missen. Hij had ergens gelezen “het mist nog wat richting, dit voorstel”, en hij vroeg zich af of dit geen anglicisme was. (Niemand is zo bevreesd voor het anglicisme als de anglist.) Het deed hem ook nog denken aan de constructie “er mist iets” – ook al zo fout, en mogelijk eveneens een anglicisme.

Ik sloeg er het WNT op na, en ontdekte dat er mogelijk iets anders aan de hand is: missen begint langzaam maar zeker de menselijke factor te ontberen.

In de voorbeelden die het woordenboek geeft, is eigenlijk altijd een mens betrokken. In sommige voorbeelden is hij het onderwerp van de zin. “Als het (kind) … stierf, als zij het … moest missen — zij maakte zich van kant”, schreef Couperus bijvoorbeeld (in Boeken der kleine zielen), terwijl Van Alphen mededeelde: ‘Aan een boom, zoo vol geladen, mist men vijf zes pruimen niet.’


“Dit voorstel mist nog wat richting” kan daarvan zijn afgeleid. Het voorstel is in eerste instantie gepersonifieerd, als een karakter dat overal zoekt maar nergens richting kan vinden, en dat gaandeweg verfletst is, en dat het nu betekent wat het betekent: het voorstel heeft nog te weinig richting.

Daarnaast kon missen volgens het woordenboek ook vroeger al gebruikt worden met ‘eene zaak’ als onderwerp. Bij sommige betekenissen ontbrak ook van oudsher al iedere verwijzing naar enige persoon (“Dat kan niet missen!”, of “Die stoot miste, en hy liep … in mynen degen” bij Burgerhart en Deken). Maar in een betekenis die dichter ligt bij de hier gebruikte, noemde je in het verleden wel degelijk ook een persoon, maar dan als lijdend voorwerp: “Daar niets ons ligter mist dan een verdienden prijs”, dichtte De Lanoy.

Ook daar is dus kennelijk de mens gaandeweg uit de constructie verdwenen. Maar dat zou dan toch onder invloed van het Engels kunnen zijn? Misschien; zij het dat daar geen enkele concrete aanwijzing voor is. Bovendien vindt het WNT een soortgelijke constructie al bij de 18e-eeuwse schrijver Rhijnvis Feith: “Aan dezen broedrenkring mist nog een enkle broeder”. Dan is het waarschijnlijk geen anglicisme. Het WNT noemt het dan weer een gallicisme (een ‘ongewoon’ gallicisme nog wel), maar zo blijf je bezig: zou het Nederlands zich niet zonder Engels en Frans en wat niet al ook in deze richting ontwikkeld kunnen hebben?

Met dank aan Dick Smakman