Ertijdens

Door Marc van Oostendorp



Een tijdje geleden twitterde iemand een vraag die sindsdien in mijn hoofd is blijven zitten:

Ja, hoe zit dat? De literatuur heeft er niet veel over te zeggen. Ja, voorzetsels die een tijdsspanne or tijdstip uitdrukken kunnen volgens de Syntax of Dutch meestal niet op deze manier bevraagd worden: je kunt ook niet zeggen waargedurende of waarsinds, al hoe wel waarvoor en waarna niet heel vreemd zijn (‘waarvoor moest je ook weer bellen?’ ‘voor de vergadering’ – toch wel een beetje vreemd).

Eigenlijk zijn de voorzetsels die wel goed met waar gaan, bijna allemaal voorzetsels die een locatie in de ruimte aanduiden: op, onder en in zijn daar goede voorbeelden van. 
Dat heeft op zijn beurt ongetwijfeld te maken met het feit dat je het soort woorden dat je op de plaats van waar kunt zetten allemaal ook gebruikt worden om plaatsen aan te duiden. Waar is zelf een voorbeeld (waar woon je?), en andere voorbeelden zijn er, daar, overal, ergens: die kun je allemaal voor op zetten (erop, daarop, overal op, ergens op). Tijdsaanduidingen kunnen dat niet (‘Op welk moment kom je?’ ‘Ooit op’).

Het gekke is dan wel dat je waartijdens ook niet op een voor de hand liggende manier kunt vragen.

Neem waarop. Daarvan zou je kunnen zeggen dat het de Nederlandse manier is om op wat te vragen:

  • Ik zie het dak. Wat zie jij?
  • Het dak is mooi. Wat is mooi?
  • Ik zit op het dak. Waarop zit jij? 
Die laatste zin kun je niet zomaar vervangen door Op wat zit jij? Dat laatste vraag je alleen wanneer je de ander bijvoorbeeld niet goed gehoord hebt: ‘Ik zit op het dak’ ‘Op WAT’?

Het rare is nu dat je met tijdens ook niet kunt zeggen: ‘Tijdens wat lees jij een boek?’ (behalve dus weer wanneer je de ander niet goed gehoord hebt). Zoals je trouwens ook niet kunt zeggen ‘Wachten vind ik niet erg, ik lees een boek tijdens het(zoals je wel kunt zeggen ‘Wachten vind ik niet erg, ik vind het juist leuk’).

Het is net alsof een voorzetsel in het Nederlands geen al te zwak woord bij zich mag hebben. Op wat en op het, tijdens wat en tijdens het zijn daarom allemaal ongewenst. Alleen kun je in de eerste twee gevallen een plaatsbepaling gebruiken (waar, daar) die vervolgens naar een plaats voor het voorzetsel kan ontsnappen.