Zo voorkwam ik alles te begrijpen

Wat we nog niet weten over het werkwoord (5)

Door Marc van Oostendorp


Als ik beweer dat ik morgen zal komen, beweer ik morgen te komen. Zoveel is zeker: het lijdend voorwerp van de ene zin (‘ik beweer’) kan zelf weer een zin zijn met een persoonsvorm (zal in ‘ik zal morgen komen’) of zonder (‘morgen te komen’). 
Het eigenaardige, zegt Hans Broekhuis in het 1200 pagina’s dikke deel Verbs and verb phrases van zijn Syntax of Dutch is dat het niet bij ieder werkwoord zo werkt. Neem het volgende paar:
  • Diederik ontdekte dat hij loog. [1]
  • Diederik ontdekte te liegen. [2, vreemd]
De tweede zin is een stuk vreemder en ongebruikelijker dan de eerste. Waarom? Het ligt niet alleen aan het werkwoord ontdekken, want soms gaat het juist wel heel goed:
  • Diederik ontdekte dat hij honger had. [3]
  • Diederik ontdekte honger te hebben. [4]
Wat is het verschil? Het heeft, zegt Broekhuis, mogelijk iets te maken met een verschil in betekenis tussen [1] en [3] – een verschil dat vooral tot uitdrukking komt in het woordje hij. 
In zin [1] verwijst hij het meest waarschijnlijk naar iemand anders dan Diederik; hoewel in de sociale psychologie alles mogelijk is, is het een beetje raar om dit soort ontdekkingen over jezelf te doen. Liegen vereist een zekere opzet, en dus kun je van jezelf niet zo makkelijk ‘ontdekken’ dat je liegt.
Hoewel in zin [3] hij ook best naar iemand anders kan verwijzen (Diederik ontdekte dat gekke Henkie honger had), kan het op zijn minst óók naar Diederik verwijzen. Hij hoort zijn maag knorren en leert iets over zichzelf. In zin [4] is Diederik zeker degene die honger heeft: het verzwegen onderwerp van honger te hebben is hetzelfde als dat van ontdekken. Zin [4] kan nooit of te nimmer gebruikt worden om iets over gekke Henkie te zeggen.
En daarom is zin [2] vreemd: hij kan alleen betekenen dat Diederik iets over zichzelf ontdekt dat hij volgens de wetten der logica allang had moeten weten.
Nog vreemder vind ik het verschil wordt het met het werkwoord voorkomen:
  • Mark voorkwam net op tijd dat hij zeeziek werd. [5]
  • Mark voorkwam net op tijd zeeziek te worden. [6, raar/uitgesloten]
Zin [6] is raar, ook al kun je zin [5] best zo begrijpen dat Mark voorkwam dat hijzelf (Mark) zeeziek werd. Nog vreemder is dat dit soort zinnen beter worden wanneer je er iets aan toevoegt dat een oorzaak geeft, of beschrijft op welke manier iets gebeurt, zoals Broekhuis ontdekte:
  • Hierdoor voorkwam Mark net op tijd zeeziek te worden. [7, niet zo raar]
  • Zo voorkwam Mark net op tijd zeeziek te worden.  [8, niet zo raar]
Waarom dat zo is? Wie een sluitende verklaring kan geven, maakt kans op de Nobelprijs voor de Nederlandse Taalkunde.