Onvoorwaardelijk vertrouwen in de wetenschap

Door Marc van Oostendorp


De discussie over de Wetenschapsvisie 2025 blijkt steeds meer te gaan over de academische vrijheid. Waar is die eigenlijk goed voor? Is het wel verantwoord om wetenschappers van belastinggeld zomaar vertrouwen te schenken? Moeten zij zich niet net als iedereen verantwoorden?

Dit weekeinde schreef de Groningse psychologe Trudy Dehue er een column (€) over in NRC Handelsblad.  “Er is (…) geen enkele andere maatschappelijke sector die andermans geld vrijelijk mag besteden en daarmee ook nog andermans heden en toekomst mag bepalen”, schrijft ze daarin, en ze stoort zich aan academici die “vanzelfsprekend vertrouwen op[eisen], terwijl vertrouwen nooit onvoorwaardelijk kan zijn en bovendien door nogal wat wetenschap met haar zucht naar geld of eer flink op de proef wordt gesteld.”

Je hoort het vaker en het klinkt op een bepaalde manier redelijk. Wie denken die academici wel dat ze zijn, dat zij wel zomaar mogen doen waar ze zin in hebben terwijl ieder ander de hele dag rapporten moet schrijven waarin hij verantwoord wat hij doet? Dehue maakt bovendien de kachel aan met sommige tegenwerpingen.
Ziekte

Als ik het goed zie, gaat dat in drieën. Zo vrij zijn in de eerste plaats veel onderzoekers ook weer niet: vaak laten ze zich leiden door ‘zucht naar geld of eer’. In de tweede plaats is het een illusie om te denken dat wetenschappers ‘de’ werkelijkheid blootleggen; zij geven deze eerder vorm. En in de derde plaats kunnen onderzoekers er wel steeds op wijzen dat veel grote ontdekkingen op een toevallige manier zijn ontstaan, maar het is “een reële vraag hoe lange tijd de kostbare belofte van toevalscreaties een belofte mag blijven”.

Ik geloof dat Dehue hierbij het belangrijkste argument voor de academische vrijheid over het hoofd ziet. Dat is ook niet zo vreemd, want het argument wordt betrekkelijk zelden genoemd: de noodzaak van tegenspraak. Een gezonde samenleving is gebaat bij het koesteren van enkelingen die de hele tijd morrelen aan alles wat iedereen denkt. Alles moet altijd op losse schroeven staan, juist omdat wij als mensheid nog lang niet zo ver zijn dat we ‘de’ werkelijkheid kennen, en juist omdat we die werkelijkheid doorlopend vorm moeten geven. Als daarbij af en toe bij toeval penicilline wordt ontdekt, is het meegenomen; van belang is vooral dat er soms iemand eens op een andere manier tegen ziekte aankijkt.

Tenure

Voor zulke tegenspraak heb je mensen nodig die net een beetje buiten de maatschappij kunnen staan, en die daar niet afhankelijk van zijn. Wetenschap is een van de instituties die een ontwikkelde samenleving daarvoor heeft ingericht; kunst is een andere.

Het mooiste systeem is daarom het Amerikaanse, van tenure: je stelt mensen die zich eenmaal bewezen hebben – jarenlang keihard gewerkt en daarbij mooie dingen gedaan – aan voor altijd zonder nog ooit aanvullende eisen te stellen. Je vertrouwt ze, jawel, en je vertrouwt ze onvoorwaardelijk, zodat ze ongehinderd kunnen zeggen wat ze willen.

Zulke tenure bestaat overigens in Nederland niet. Wetenschappers moeten zich ieder jaar keurig verantwoorden in een functioneringsgesprek en worden dan op allerlei criteria beoordeeld. Doordat de wetenschap voortdurend gereorganiseerd wordt, is bovendien niemand zijn baan echt zeker. (Ook in Amerika staat het systeem door de opkomst van het georganiseerde wantrouwen dat managerscultuur heet overigens onder druk.)

Uitzonderingspositie

Je zou dergelijke tenure misschien aan bepaalde kunstenaars kunnen geven. Ik denk dat je hem in ieder geval aan wetenschappers zou kunnen geven. Natuurlijk weten zij niet wat ‘de’ werkelijkheid is, maar wel is een groot deel van de westerse maatschappij opgebouwd op het relatieve succes van de wetenschap in het zo goed mogelijk benaderen van die wetenschap. Dat rechtvaardigt de uitzonderingspositie.

Jazeker, dat geeft een uitzonderingspositie aan een kleine groep mensen, die het dus nu juist niet met de meerderheid eens hoeven te zijn. De hoop is dat die mensen zoveel mogelijk dingen gaan doen waar andere mensen woedend van worden; dat ze onzinnige ideeën naar voren schuiven, waar een heel enkele keer penicilline uit voortkomt, en nog net iets minder vaak een totale verschuiving van ons wereldbeeld.

Ik durf te beweren dat die ene keer het waard is, ook al is zelfs professor Dehue dat niet met me eens.

Dit stukje stond gisteren op weblog Sargasso.