Schadetje

Door Marc van Oostendorp

Kleine Marie heet Marietje, kleine Els heet Elsje, kleine Nel heet Nelletje. En hoe heet nu kleine Hilde? Dat is lastig: Hildje klinkt niet goed, en Hildetje eigenlijk ook niet. Alleen als je de uitgang –ke in je repertoire hebt, heb je een uitweg: Hildeke.

Zoiets geldt ook voor andere woorden die eindigen op –de of –te. Een lichte straf is een strafje, maar wat is een lichte boete? Een korte straat is een straatje, maar wat is een korte kade? Het is net alsof er ergens wat blokkeert in je hoofd. Meestal kun je van ieder nieuw woord een verkleinwoord maken: als ik jullie vertel dat ik een kleine braal heb, weten jullie meteen dat zoiets een braaltje heet. Maar als ik het een brate noem, dan krijgen jullie een raar gevoel.

Wat is dat voor iets?

Het moet te maken hebben met het feit dat de combinaties -detje en -tetje niet goed in de mond liggen. Dat is te begrijpen: tje lijkt teveel op de en op te en mensen houden niet van die reeksen sterk op elkaar lijkende lettergrepen, zeker niet als ze onbeklemtoond zijn. Dat verklaart waarom ke wel kan: die lijkt te weinig op de of te. Maar waarom dat in dit geval tot zulke dramatische gevolgen leidt, terwijl je bijvoorbeeld wel kan zeggen biddende of de teloorgang, terwijl -dende of de te- toch ook niet echt lekker lopen: ik kan het in ieder geval niet verklaren.

Opvallend is daarbij dan ook nog dat je het rare gevoel kunt laten verdwijnen. Wanneer je een aantal keer Hildetje hebt gezegd, begint het gaandeweg steeds minder raar te klinken. Maar als je die hele Hilde dan een tijdje uit je hoofd zet en pas een maand later weer vertederd aan haar denkt, begint het gedoe opnieuw.

Het is alsof de verkleinwoordsuitgang bijzonder kieskeurig is. Het wil niet achter de verkeerde stam staan. Nu heeft die uitgang inderdaad toch al heel wat noten op zijn zang. Na een lange klinker met m wordt hij pje (raampje), na een p, t, k, f, s, g wordt hij je (raapje, raatje, haakje, raafje, gaasje, haagje), na een korte klinker met een m, n, of ng wordt hij etje (lammetje, mannetje, dingetje). Ook hier geldt weer: ook totaal nieuw gevormde woorden volgen die regels: een kloem wordt een kloempje, een kloep een kloepje, een plom een plommetje.

En na de of te wil het achtervoegsel dus helemaal niet staan. Alleen wanneer je zo’n verkleinde naam vaak herhaalt, wordt het er voor je gevoel een onderdeel van. En dan vervalt het bezwaar.