De lerarenopleiding is een sprookje

Door Peter-Arno Coppen

Wie A zegt, moet ook B zeggen. De afgelopen week plaatste ik hier een reactie op een column van Aleid Truijens uit de Volkskrant, waarin zij voorstelde om de lerarenopleiding af te schaffen. Stevige kritiek krijgt altijd veel bijval, dus zowel Truijens’ column als mijn reactie konden zich verheugen in veel instemming. Maar nu verschijnt er een tweede artikel in de Volkskrant waarin gesteld wordt dat de lerarenopleiding niet deugt. En ditmaal niet van een van de vaste columnisten, maar van Marijn van Dijk, een studente die net die opleiding heeft afgerond, een ervaringsdeskundige dus. Ik voel me enigszins verplicht om daar dan ook op te reageren.

Ik vind dat overigens niet gemakkelijk. Niet omdat ik met mijn mond vol tanden sta, maar omdat ik al niet over de eerste drempel heenkom van de paradox van iemand die beweert dat haar eigen opleiding als leraar niet deugt. Want ofwel zij heeft gelijk, en dan beschikt zij dus over een uitstekend reflectief en oordeelkundig vermogen en is zij dus in deze zaken prima opgeleid, waarmee ze ergens geen gelijk heeft, ofwel ze heeft geen gelijk, en dan heeft de opleiding hierin dus blijkbaar gefaald en heeft ze toch weer gelijk. Anderzijds zou je ook kunnen zeggen dat alleen al het feit dat ze ontevreden is een tekortkoming van haar opleiding aantoont. Immers, de lerarenopleiding van de VU (waar zij gestudeerd heeft) zal net als alle andere opleidingen de intentie hebben om alleen maar capabele, gelukkige en tevreden studenten af te leveren, en dat is dus in dit geval niet echt gelukt. Daar kom ik dus niet goed uit.

Ik schrijf dit alles overigens zonder enige ironie, want ik heb geen enkele intentie om iemand of iets belachelijk te maken. Blijkbaar is er iets mis met de lerarenopleiding, maar wat dat precies is wordt mij ook na lezing van deze tekst niet goed duidelijk.

Het artikel van Van Dijk begint met ‘een bespottelijke karikatuur’ van de lerarenopleiding, die de ronde doet onder studenten Nederlands van de VU. Het is me niet helder in hoeverre dit nu overeenkomt met de waarheid die zij zelf later tegenkwam, maar laten we even aannemen dat alles klopt, en dat studenten inderdaad bijvoorbeeld geconfronteerd werden met een werkvorm waarbij ze een toverstafje moesten doorgeven en antwoord geven op de vraag ‘Welk sprookje voel jij je vandaag?’ Dat klinkt inderdaad niet erg wetenschappelijk, dat moet ik toegeven.

Als ik in mijn eigen onderwijscarrière (en mijn carrière als taalblogger) nou iets geleerd heb, dan is het dat je overal iets van kunt leren. Je kunt het werkelijk zo gek niet verzinnen of je kunt er lering uit trekken. En degenen die uit de gekste omstandigheden het meeste leren zijn ook nog vaak degenen die dit het minste nodig hebben. Ik heb wel eens in een opleiding gewerkt waarin naar aanleiding van zeer wisselende evaluaties een paar intervisiegesprekken voor de universitaire docenten werden georganiseerd. Daar kwam ongeveer een derde opdagen: precies de docenten die al goede evaluaties hadden. Die zagen daarin een kans om zich te verbeteren. Ik voel me in deze column trouwens het sprookje Strohalm, boontje en kooltje vuur.

Anderzijds is het ook erg gemakkelijk om werkvormen te ridiculiseren. Stel je hebt een enthousiaste en bevlogen docente die probeert om in haar 4vwo-klas het middeleeuwse Reinaert de vos te behandelen, dan kun je dat probleemloos framen als ‘een wereldvreemde docente die, in plaats van haar leerlingen taalvaardiger te maken en zo voor te bereiden op de maatschappij, zonodig haar eigen hobby moet botvieren door haar leerlingen lastig te vallen met een immoreel sprookje uit de Middeleeuwen.’ (voor de goede orde: ik weet wel dat de Reinaert geen sprookje is maar een fabel, en dat je overal iets van kunt leren, maar het gaat me even om de mogelijkheid om het anders voor te stellen).

Tot nu toe hebben we nog geen feitelijke kritiek gehoord op de opleiding die Van Dijk zelf heeft gevolgd. Die komt nu aan de orde. ‘Van onderwijs op universitair niveau is aan de lerarenopleiding geen sprake. In plaats daarvan wordt de student onderworpen aan praatgroepjes, rollenspelen, alternatieve werkvormen en een onwaarschijnlijke hoeveelheid dossieropdrachten waarin hij zijn competenties moet bewijzen.’

Ik weet niet hoe het de kritische lezer vergaat, maar ik zie de eerste zin niet bevestigd in de tweede. Je zou juist verwachten dat de lerarenopleiding alternatieve werkvormen laat zien (en ik ken ook werkcolleges in reguliere vakstudies die eerder het karakter hebben van praatgroepjes), en het bewijzen van je competenties is inderdaad iets wat je in de lerarenopleiding wettelijk verplicht bent. Dus die tweede zin constateert een gewenste gang van zaken. Ik weet wel dat het woord competenties zelf al bij veel mensen allergische reacties opwekt, maar je kunt het de lerarenopleidingen niet verwijten dat ze die term gebruiken, want hij staat in de wet.

Koningin Beatrix heeft het zelf ondertekend: de bekwaamheidseisen voor de leraar zijn uitgedrukt in zeven competenties. De lerarenopleidingen zijn verplicht om die competenties te onderwijzen en te toetsen. Daar kun je wel over schimpen, maar als we dat niet willen moeten we in het parlement erop aandringen dat dit in de wet wordt herzien.

Het is trouwens pertinent onjuist, zoals Van Dijk stelt, dat competenties over gedrag gaan en niet over inhoud. Het woord ‘competentie’ is een verzamelterm voor kennis, vaardigheden en attitude. Vakstudies beperken zich doorgaans tot de eerste twee, maar in de lerarenopleiding is een goede houding in de zeven competenties ook iets wat getoetst moet worden. Dat dit voor een student die dit niet gewend is vreemd overkomt (Van Dijk spreekt over een ‘cultuur-shock’)  is wel te begrijpen natuurlijk, maar daarmee is het nog niet onjuist.

Een ander misverstand is de koppeling van de gedragsaspecten van de competenties aan het beoordelingsinstrument ‘rubric.’ In principe is de rubric een neutraal beoordelingsinstrument, waarin verschillende beoordelingscriteria in een aantal niveaus zijn uitgezet. Meestal is dit een raster waarin per rij een criterium staat en per kolom een niveau. Het Europees referentiekader voor taalvaardigheid is een voorbeeld van zo’n rubric. In abstracto is een rapportcijfer ook al een rubric met slechts één criterium (‘het werk voldoet’) en elf kolommen (0 tot en met 10). Als je kritiek hebt op rubrics, dan moet het dus gaan over de invulling van die criteria en niveaus. En hoewel we uit het stuk van Van Dijk de indruk moeten krijgen dat alle criteria over gedrag gaan, zal dit ongetwijfeld niet het geval zijn. Een dergelijk instrument zou bij elke onderwijsvisitatie door de mand vallen.

Staat er dan helemaal niks concreets in die column? Jawel, er staat een voorbeeld van een letterlijke ‘dossieropdracht.’ Die luidt: ‘Maak een beschrijving van jouw communicatie met klassen, het houden van orde en de manier waarop jij leiding geeft. Wat typeert jou als uitvoerder van onderwijs?’ Tja, ik weet het niet, maar het lijkt mij een prima opdracht. Misschien kun je al uitstekend orde houden, maar dan is het nuttig om erop terug te kijken, en te bedenken ‘Hoe doe ik dat eigenlijk?’ Of het lukte je helemaal niet, en dan is het goed om te bedenken waar dit nu aan lag. Dat zul je in je latere carrière als docent ook moeten doen. Tenzij je van plan bent om een arrogante docent te worden die ervan uitgaat dat het altijd aan de leerlingen ligt als het misgaat. Beweren dat het onzinnig is om na te denken over iets wat je niet kunt is een gotspe.

Ik heb eigenlijk het idee dat de schoen hem ergens anders wringt. Het zijn niet zozeer die werkvormen en die opdrachten, deze studente is gefrustreerd door de rol van de vakinhoud in het schoolvak, en dientengevolge in de lerarenopleiding. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het citaat: ‘De universitaire lerarenopleiding is bij uitstek de plaats waar kritisch moet worden nagedacht over de inhoud van het schoolvak.’ En: ‘Met inhoudelijke kwaliteit boort de docent inhoudelijke kwaliteit van leerlingen aan.’

Ik vind dit een prima discussiepunt, waar naar mijn ervaring ook binnen elke lerarenopleiding hevig over gediscussieerd wordt. Daarbij speelt wel het lastige aspect dat de vakinhoudelijke kwaliteit van de student een toegangsvoorwaarde tot de opleiding is. Dat wil zeggen: de lerarenopleiding moet ervan uitgaan dat de student op het bijbehorende wetenschapsgebied volledig geschoold is. De lerarenopleiding heeft, in aanvulling daarop, het doel om ervoor te zorgen dat je die vakinhoudelijke kwaliteit ten nutte kunt maken in het onderwijs dat je gaat geven. Het kan dus niet zo zijn dat de lerarenopleiding je nog eens gaat bijspijkeren in de grammatica of de letterkunde. In die zin is de lerarenopleiding dus verplicht ‘inhoudsloos.’

Daar staat natuurlijk wel een andere inhoud tegenover: Truijens had het al over de ‘een vracht pedagogiek en onderwijskunde,’ maar ook vakdidactisch moet je het een en ander leren. Ook die inhoud staat in de wet (als je die link boven niet gelezen hebt, zou je dat toch eens moeten doen), maar over die inhoud hoor ik deze studente dan weer niet. Haar gaat het voornamelijk om de werkvormen en de beoordeling, die niet (vak)inhoudelijk genoeg zou zijn.

Er is iets mis met de lerarenopleiding, dat is zeker. De opleiding slaagt er niet in om al haar studenten te overtuigen van haar nut en noodzaak, los van het feit dat het in de uitvoering ook niet allemaal even goed zal gaan. Er zijn relatief veel ontevreden studenten, en dat is nooit een goed teken. Echter, bij karikaturen is niemand gebaat. Dan heb je toch een beetje het sprookje van de strohalm, het kooltje vuur en de boon. De strohalm is de lerarenopleiding die aanbiedt om over de beek te gaan liggen, zodat de andere twee de overkant kunnen bereiken. Kooltje vuur (de student) waagt het, en zolang er beweging is gaat het goed. Halverwege wordt kooltje vuur onzeker en het blijft staan. De strohalm brandt door en kooltje vuur valt in het water. Boontje (laten we zeggen: de maatschappij) staat aan de kant en lacht zo hard dat zijn buik openbarst.

Ik denk dat we op zijn minst een kleermaker nodig hebben om een naad in boontjes buik te naaien.

Update
Hee, twee positieve brieven over de lerarenopleiding in de Volkskrant (hier en hier). Het is dus niet helemaal kommer en kwel.