Plezier in verschaalde viezigheid

Door Marc van Oostendorp


Seks en humor hebben een ingewikkelde relatie met elkaar. De een moet niks van de ander hebben, terwijl de ander juist dol is op de een. In pornografie wordt nooit gelachen, maar waar vet geginnegapt wordt, zijn de intieme delen nooit ver weg. Vieze woorden winden de mens op óf amuseren hem – maar nooit tegelijkertijd.

Seks en humor hebben allebei ook nog eens een ingewikkelde verhouding met de geschiedenis. Porno van driehonderd jaar geleden is om redenen die ik wel kan aanvoelen maar niet goed begrijp net zo verschaald als de meeste grapjes uit die tijd.

In een heel fraai uitgegeven boek verzamelde Annemieke Houben tientallen ‘vieze liedjes’ uit de zeventiende en de achttiende eeuw.
Op de titelpagina staat dat ze die liedjes alleen maar inleidde, maar ze deed natuurlijk veel meer: ze koos ze uit, ze spelde ze om, annoteerde ze en rangschikte ze zodat er een min of meer lopend verhaal ontstond. Het boek wordt vandaag gepresenteerd.

Samen geven die liedjes een heel interessant inkijkje in een aspect van het dagelijks leven van vroeger tijd dat vast heel belangrijk is geweest en waarover we weinig weten. Van alles en nog wat komt aan de orde: prostitutie, orale seks, schuldgevoel, genot, voyeurisme, en de vraag of het schaamhaar nu wel of niet diende te worden afgeschoren.

Het effect van al het verschalen van die seks is dat je vaak als lezer niet weet of er hier nu met al die geslachtsdelen wordt gesmeten omdat de zanger grappig wilde zijn, of omdat hij of zij de lusten van het publiek wilde opwekken. Wat te denken van een lied van een stalmeester die zingt:

‘Waar moet ik zijn?
Waar moet ik zijn?’
vroeg ik haar met een draai zeer fijn.
‘Waar moet ik zijn?
Waar moet ik zijn?’
Het meisje zeide mijn:
‘Zie, hier in dit bosschage,
pas op, mijn tuin is klein,
ja klein, ja klein, hoor mijn,
daar moet uw blesje zijn.’

Ik deed haar zin,
ik deed haar zin,
en draafde stijf dat tuintje in.
Ik deed haar zin,
ik deed haar zin,
wat had ik voor gewin!
Omdat ik zo deed dragven
werd mijn bles zeer nat,
zeer nat, zeer nat, nog wat:
denk wat een rit was dat!

Ik kan me moeilijk voorstellen hoe een tijdgenoot op zo’n liedje reageerde, maar in zekere zin doet het er ook niet toe. De moderne lezer leest zo’n boek – neem ik aan – toch om andere redenen. Het levert een bijzondere historische sensatie op om onder de rokken van je betovergrootmoeder te kunnen kijken.

Het vreemdste is dat homoseksualiteit vrijwel geheel ontbreekt. Er zijn kennelijk geen liedjes die over homo’s gaan – niet in de erotische zin, maar ook niet spottend of afkeurend. Het onderwerp wordt eenvoudigweg niet genoemd, wie alleen op de liedjes afgaat zou denken dat er in die tijd geen homo’s waren. Waarom dat zo was, is mij niet helemaal duidelijk. Houben zegt dat het onderwerp een groot taboe was, maar allerlei andere taboes worden niet geschuwd. Waren homo’s zo vies dat je er zelfs geen liedje over mocht maken?

Annemieke Houben. Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw. Nijmegen: Vantilt, 2014. Bestelinformatie bij de uitgever.
Volledige openheid: Annemieke Houben werkte jarenlang voor het Meertens Instituut, waar ik ook werk. Een eerste versie van dit boek maakte ze als afscheidscadeau voor haar collega’s van de afdeling Liedcultuur.