De diepte in met J. Slauerhoff

Door Marc van Oostendorp
ter nagedachtenis aan Jan Kooij (1940-2004)

Dit is een traditie in de Nederlandse poëzie: een gedicht bestaat uit versregels, en iedere versregel bestaat uit vijf regelmatige afwisselingen van onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen (vijf jamben): De felle dood die nu geen wit mag zien, Een nieuwe lente en een nieuw geluid, Ik ging naar Bommel om de brug te zien, Natuur is voor tevredenen of legen, Mijn naam is legioen, wij zijn met velen. (Ik vat de traditie zo maar even samen voor het gemak.)

Die traditie heeft, zoals dat hoort bij tradities, een mooie geschiedenis. De eerste jambes werden aarzelend in de veertiende eeuw geschreven; ze braken door in de zestiende eeuw. Maar lange tijd was er niet een duidelijk vast aantal, of leek het favoriete aantal te zijn (Ilja Leonard Pfeijffer is dat genre de laatste tijd weer nieuw leven in aan het blazen). 

De Tachtigers gaven uiteindelijk de doorslag voor het aantal vijf (de ‘jambische pentameter’), onder invloed van de Engelse literatuur (Shakespeare schreef zijn sonnetten en een goed deel van zijn toneelwerk in die maat).

Die traditie vond een soort hoogtepunt in Slauerhoff. Hij schreef jambische pentameters die zonder die traditie niet konden bestaan en die daarna onovertroffen zijn gebleven. Hier is wat ik bedoel:

De Profundis

(editie DBNL

Waar de zee zwart wordt van diepte, en wrakken
Niet verder zinken – vaste sterren worden
Over der onderwereld plantenhorden
Die plomp als rotsen kiemen, noch vertakken, 

Wacht – onder wijd en angstig ledig zwijgen,
Als dood diep in een geest die zich niet kent,
En drukt een stilt’, nooit opgeheven dreigen
Der laatste rampen, steeds weer afgewend, 

Den drenkelingen, die zijn afgedaald.
Zij merken helsch herleefd dat zij niet mogen
Vergaan, maar eeuwig met gesperde oogen
Een nacht inzien, die opklaart noch vervaalt.

In dit gedicht wordt je steeds verder naar beneden gezogen. Ieder van de eerste negen regels, die samen één zin vormen, bevat een woord dat naar omlaag verwijst (diepte, zinken, onderwereld, kiemen, onder, diep, drukt, afgedaald), zodat het voelt alsof je inderdaad steeds dieper de diepste diepte ingaat.

Het gedicht is in jambische pentameter geschreven, en de meeste regels zijn voor Slauerhoffs doen heel onregelmatig. Hij had bijvoorbeeld een sterke voorliefde voor een omkering van het metrum aan het begin, zoals hier bijvoorbeeld in de derde regel, die begint met de trochee TAMda in plaats van de jambe taDAM. In de meeste gedichten van Slauerhoff vind je dit wel een paar keer, maar hier alleen in deze regel.Een uitzondering is echter de allereerste regel – als het ware de zeeoppervlakte boven al die diepte. Die zeeöppervlakte kolkt alle kanten op; wanneer je de eerste regel gelezen hebt, heb je nauwelijks het idee dat je een vijfvoetige jambe aan het lezen bent. TadaDAMDAMdadaDAMdadaDAMda.

Dat effect draagt hier natuurlijk heel precies bij aan het gevoel dat het gedicht uitdrukt: van diep, diep, diep de zee in vallen. Maar Slauerhoff gebruikt het vaker: een heel onrustige eerste regel die gaandeweg over gaat in regels die veel ritmischer zijn. Je wordt daardoor echter niet in slaap gesust, doordat de eerste regel je op het verkeerde been heeft gezet.