Bye bye, verantwoord gebruik van de Nederlandse taal

Door Marc van Oostendorp
Bijna ongemerkt is gisterenavond een nieuwe periode in de geschiedenis van de Nederlandse taal ingetreden. In een klein zaaltje achter een Haags café, kwamen de leden van het Genootschap Onze Taal bijeen en besloten de doelstelling van hun vereniging te veranderen.
Nu is het doel volgens de statuten nog om “het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal in woord en geschrift te handhaven en te bevorderen en aan hen die haar gebruiken meer begrip en kennis daarvan bij te brengen.” Maar voortaan wordt dat verantwoorde gebruik losgelaten, en staat zelfs de Nederlandse taal niet meer per se centraal. Sinds gisteren wil het genootschap “op een toegankelijke manier informeren en adviseren over alles wat te maken heeft met taal in het algemeen en het Nederlands in het bijzonder, te enthousiasmeren voor taal en een podium te zijn voor de uitwisseling van ideeën en meningen over taal.”
Er was in de vergadering wel één meneer die me in de pauze vertelde dat hij dacht dat het ‘verantwoorde gebruik’ over twintig jaar weer terug zou komen in de statuten. Maar verder waren er geen grote klachten.


Het zat er natuurlijk al lange tijd aangekomen. Het tijdschrift Onze Taal geeft al jaren ruimte aan pleidooien tegen de norm, naast even hartstochtelijke artikelen ervoor. Bovendien gaat het ook lang niet meer alleen maar over de Nederlandse taal (de ‘onze’).

Hoe komt dat? De meneer in de pauze meende geloof ik dat het genootschap in handen was gevallen van neerlandici: “Jullie willen alleen maar vastleggen hoe het zit, jullie willen geen norm stellen.” Maar ik denk niet dat het zo is: ik denk dat er wel degelijk in het taalminnende publiek zelf de afgelopen decennia een ontwikkeling heeft voorgedaan naar liefde voor de taal in al haar verschijningsvormen, niet alleen de ‘verantwoorde’. Een maandblad vol machteloze woede en gemopper over hoe vreselijk alles is, willen maar weinig mensen lezen. De activistische afsplitsingen van Onze Taal  – Taalverdediging en de Stichting Nederlands – leiden een kwijnend bestaan.

Het is dus een mooie stap, die er gisteren in dat Haagse zaaltje is gezet. Mensen laten zien dat taal iets is om over te discussiëren en je over te verbazen, iets om lief te hebben in al haar vormen en niet alleen in haar mantelpakje. De meeste mensen willen misschien soms wel even hun wenkbrauwen fronsen over de magere spelkwaliteiten van de jeugd, maar ze willen daar niet hun leven door laten bepalen.

En toch. Bij alles wat er verloren gaat, kun je treuren. Dat verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal, bijvoorbeeld – de lange voldragen volzinnen, de mensen die hun best doen om iedere lettergreep correct en helder uit te spreken. Níét het streven dat iedereen zo zou moeten spreken, maar de variëteit zelf, de licht archaïsche woordkeus, de conservatieve syntaxis, het ideaal dat er ooit aanhing van een ‘neutraal’ soort Nederlands waarin iedereen gelijk zou zijn.

We kunnen er niet meer naar terug, en we willen er niet meer naar terug, maar nu het weer zo’n gevoelige klap is toebediend, kunnen we wel nostalgisch onze hoed ervoor afnemen.