De rol van de taalgebruiker

(door Miet Ooms)

Het zijn boeiende tijden voor een taalobservator in Vlaanderen, en moeilijke voor een taaladviseur. Zo zou je de afgelopen maanden kunnen samenvatten als je de volgende gebeurtenissen bekijkt:
– Februari 2014: zangeres Natalia en comedian Bart Cannaerts beroeren kijkend Vlaanderen met hun taal, de eerste als presentatrice tijdens de MIA’s op de openbare omroep en de laatste in dezelfde functie bij het spelprogramma De Pappenheimers op de commerciële zender Vier. Natalia wordt zelfs een aanleiding tot een parlementaire vraag, en taaladviseur Ruud Hendrickx publiceert een uitgebreid antwoord op de website van de openbare omroep. Vier, niet gebonden aan een beheersovereenkomst met de overheid, reageert laconiek: ‘We hebben hem gekozen om zijn eigenheid, zijn taal maakt daar deel van uit en wie hem niet verstaat, kan de ondertiteling via teletekst gebruiken.’
– Maart 2014: de taaladviseur post als facebookstatus een fragment uit een van de talloze lezersbrieven die na de Natalia-/Cannaertshetze in allerlei media verschenen. Op de VRT hoort er ‘geen Engels, Frans, dialect, Hollands of geaffecteerd Nederlands’ thuis, vindt deze man. ‘Goed,’ zegt onze taaladviseur, ‘maar wat dan wel?’ En hij maakt zijn vraag concreet door zijn facebookvrienden en -volgers te laten kiezen tussen het als Belgisch Nederlands gelabelde ‘obus’ en het Algemeen Nederlandse ‘granaat’.
– Mei 2014: de taaladviseur citeert enkele pas publiek gemaakte verkiezingsslogans: ‘goesting in de toekomst’, ‘gene gewone’ en ‘ne moeilijke’, en merkt terecht op dat tussentaal volgens de politiek blijkbaar wel kan in verkiezingspropaganda.

Het is allemaal vrij verwarrend, want wat is nu de status van het AN, en wat die van tussentaal en streektaal? Het valt ook journalist Ludo Permentier op. Naar aanleiding van Ruud Hendrickx’ obus/granaatvraag schrijft hij een opiniestuk in de Standaard, en daarin stelt hij vast dat er sprake is van een cultuuromslag. ‘Niet de taalkundigen (zoals de taaladviseur zelf, n.v.d.r.) leggen vast wat goed is, de taalgebruiker kiest wat bruikbaar is.’ Geert Joris, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, neemt deze vaststelling over als vraag op de Linkedin-groep van de Nederlandse Taalunie, en daar ontspint zich een pittige discussie.

Ikzelf ben het eens met Ludo Permentier, en ik ga nog verder. Niet alleen het feit dat een taaladviseur aan de taalgebruikers vraagt of een bepaald woord AN is, wijst op een cultuuromslag. Het feit dat een commerciële zender geen probleem ziet in een presentator met een duidelijk regionaal accent, de openbare omroep er zelf mee experimenteert (hoewel bovengenoemd experiment niet helemaal geslaagd is) en politici geen graten zien in slogans in een taalvorm met een bedenkelijke status bevestigen die indruk.

Eerst de presentatoren. Er was een tijd dat niemand het tot presentator, radio- of tv-journalist of omroep(st)er bracht als hij of zij ook maar een licht regionaal accent had. De normen waren duidelijk, en mensen met ambitie moesten eerst hard aan hun taal werken eer ze er ook maar aan dachten auditie te doen bij radio of tv. Dat was tot 1989 per definitie de openbare omroep, maar ook bij de eerste commerciële omroep, VTM, die in 1989 van start ging, had geen enkele presentator of omroepster een duidelijk regionaal accent. De journalisten bij de nieuwsdienst kwamen zelfs over van de openbare omroep, en zij brachten hun onberispelijke Nederlands uiteraard mee. Een reactie zoals die van Vier nu was in de jaren negentig compleet ondenkbaar. Intussen is er veel veranderd. Zo stelde de VRT in 2012 in haar taalcharter dat bepaalde presentatoren een ‘lichte tongval in de standaardtaal’ konden hebben. Ondanks het onverwacht heftige protest dat opstak toen het charter bekend werd gemaakt, wordt het sindsdien zonder problemen toegepast. Bij Vier presenteert Bert Cannaerts intussen nog steeds op geheel eigen wijze zijn quiz.

Dan de politici. Er was een tijd dat Vlaamse politici ervan uitgingen dat ook zij een talige voorbeeldfunctie hadden. Zij behoorden tot de maatschappelijke elite, zij spraken veel in het publiek en vonden het dus vanzelfsprekend dat ze smetteloos AN spraken. Sommigen volgden zelfs dictie, om toch maar zo accentloos te kunnen spreken. Die tijd is duidelijk voorbij. Alleen is de houding van de politiek tegenover AN en tussentaal momenteel nogal dubbel. Een duidelijk regionaal accent op de openbare omroep is duidelijk not done, toch zeker niet bij presentatoren. Tussentaal in het onderwijs kan ook absoluut niet. De Vlaamse minister voor Inburgering Geert Bourgeois benadrukt regelmatig het belang van correct Nederlands, ook voor de inburgering van anderstaligen. Geen enkele partij stelt de status van het AN in Vlaanderen dus in vraag, integendeel. AN is belangrijk, en tussentaal (of Algemeen Vlaams) heeft nog steeds een heel bedenkelijke status. In dat opzicht zijn deze slogans-in-het-Vlaams eigenlijk verrassend. Blijkbaar hebben op zijn minst sommige politici toch het idee dat de taal van ‘de mensen’, van wie ze via hun slogans zo graag stemmen willen krijgen, niet het AN is, maar het ‘Schoon Vlaams’, ofwel de tussentaal. In feite erkent hij, of zij, dat dit de taalvariant is waarin hun kiezers zich in de praktijk het meeste thuis voelen, hoewel dat – in theorie toch – het AN zou moeten zijn.

Betekent deze toegenomen tolerantie en dit oor en oog voor de taalgebruiker dan het einde van het AN, zoals sommige taalkundigen weleens boudweg durven stellen? Ik denk niet dat het zo’n vaart zal lopen. Zolang er behoefte bestaat aan een na te streven norm, en aan mensen die deze norm verpersoonlijken, blijft het AN heel levend en heel gewenst. De publieke verontwaardiging bij ‘uitschuivers’ zoals Natalia, de lezersbrieven tegen ‘dialect’ op de openbare omroep en de opmerkingen over tussentaalsprekende politici en andere publieke personen wijzen erop dat de rol van het AN weliswaar veranderd is, maar nog lang niet uitgespeeld. De cultuuromslag heeft ook minder te maken met de status van het AN, dan met de onderlinge verhouding van de taalkundige en de taalgebruiker. Het zal dan ook de laatste zijn die de toekomst van het AN zal bepalen.