De dialectonderzoeker is ook maar een dialectspreker

Door Marc van Oostendorp


Dialectologen zijn dol op aardrijkskunde. Geef ze een kaart en ze beginnen naar patronen te speuren. Het boek waarover ik u deze week al de hele tijd de kop aan het zeuren ben, Language and Space: Dutch, is gisteren in Amsterdam gepresenteerd. (Volgende week wordt het nog eens in Gent overgedaan, want een boek dat slechts in één land gepresenteerd is, bestaat maar half, zo vinden wij in onze kringen.)

Tijdens de borrel zei iemand dat dit project een mooi voorbeeld was van samenwerking tussen Nederlanders en Vlamingen. Meteen gingen we tellen: hoeveel hoofdstukken zijn er eigenlijk door een Nederlander en een Vlaming samen geschreven? Dit zijn er 5 van de 47; twee daarvan zijn van de hand van de redacteurs van de bundel samen. Aan de andere kant zijn er 13 geschreven door mensen van dezelfde nationaliteit (en nog bij een paar zijn mensen van buiten het taalgebied betrokken; de andere zijn door 1 auteur geschreven). De binationale samenwerking is dus niet zo heel groot.

Nog opvallender is dat dialectologen het kennelijk nooit ver van huis zoeken.
18 van de hoofdstukken gaan over specifieke regio’s; vrijwel alle auteurs (34 van de 37) van die hoofdstukken zijn geboren in die regio’s. De hoofdstukken over het noordoosten van Nederland zijn bijvoorbeeld allemaal geschreven door de mensen die daarvandaar komen, terwijl de hoofdstukken over Brabant geschreven zijn door Brabanders.

Wanneer je erover gaat nadenken zijn vrijwel alle dialectologen gespecialiseerd in hun eigen regio. Specialisten over het Limburgs die niet uit Limburg komen – ze bestaan wel, maar het zijn er maar heel weinig. Bovendien blijken zij als je even graaft een Limburgse vriendin of opoe te hebben.

In zekere zin is dat teleurstellend. Er is geen reden om te denken dat je meer over een gebied zou kunnen weten omdat je er toevallig vandaan komt. Natuurlijk heb je een zekere voorsprong (je begrijpt het dialect beter, je kunt makkelijker met mensen praten), maar het zou de objectiviteit wellicht ten goede komen wanneer mensen zich meer zouden bemoeien met dialecten buiten hun eigen regio.

In dit opzicht blijken dialectonderzoekers net dialectsprekers. Ook die laatsten zijn wel enorm geïnteresseerd in hun eigen dialect, maar vaak nauwelijks in dat van een ander. Programma’s over dialecten worden op regionale omroepen altijd goed bekeken en beluisterd; maar op de landelijke omroep mislukken ze eigenlijk altijd. Ik weet zeker dat mijn stukje over Brabantse klinkers deze week vooral in het zuiden gelezen is.

Dialectonderzoek is daarmee, ondanks alle verhalen over het grotere en algemeen-menselijke belang, vooral een onderzoek naar het vertrouwde. Wij mensen zijn dol op aardrijkskunde, maar zoeken op de wereldbol altijd eerst op waar we zelf precies wonen.