Brabantse klinkers

Door Marc van Oostendorp


Iedereen heeft het altijd over die zachte g, maar voor een Brabantse klinker kun je me ’s nachts wakker maken.

Er gebeurt van alles mee. In veel plaatsen wordt de klinker lang voor bijvoorbeeld een r en zegt men wèèrek of zaacht. Tegelijkertijd is de klinker in andere woorden dan weer korter geworden en zegt men hij lopt [lɔpt]. In Antwerpen spreekt men ik weet uit met een langgerekte versie van de [ɛ] van wet, maar wet zelf dan weer met de [ɪ] van wit. En wit met de [i] van wiet. En wiet (denk ik) als wiejet [wiət].

U merkt het, never a dull moment with a Brabant vowel.
Het is dan ook volkomen terecht dat Georges De Schutter (als er achterwaartse reïncarnatie bestaat, wil ik terug op aarde komen als Georges De Schutter) in zijn hoofdstuk over Brabantse klanken in het boek Language and Space: Dutch uitgebreide aandacht aan de klinkers besteedt.

Het mooie is: je kunt een heleboel van die eigenaardigheden begrijpen als je iets weet over de menselijke mond en het menselijk hoofd.

Neem de verwisseling ik weet [wɛːt] tegenover de wet [wɛːt] tegenover de wet [wɪt]. Het is dan van belang om te begrijpen dat de i van (het Nederlandse) wit heel erg klinkt als een korte versie van de e in weet. In die zin hebben weet en wet dus stuivertje gewisseld: de eerste heeft een lange è gekregen en de tweede een korte ee. En dat is eigenlijk veel logischer. Voor de è moet je je mond net iets wijder open doen dan voor de ee (probeer het maar, er kijkt toch niemand). En bij een lange klinker heb je daarvoor meer tijd dan bij een korte. Het is dus eigenlijk onlogisch om weet en wet te zeggen zoals we in de standaardtaal doen. [wɛːt] en [wɪt] is veel logischer.

Zoiets geldt ook voor lopt, dat je bijvoorbeeld in Tilburg vindt, net als in een heleboel plaatsen. De lettergreep is met die twee medeklinkers aan het eind (om de een of andere reden doen klinkers aan het begin nooit mee met dit soort berekeningen) al behoorlijk vol. Daar kan geen klank meer bij, en dus is het beter als de klinker niet al te veel ruimte inneemt. In Tilburg zegt men trouwens ook hij it. Die [ɪ] is dus weer de korte versie van de [e] van eten. In dit geval hoor je (en spel je) weliswaar maar één [t], maar eigenlijk zijn er natuurlijk twee: die van het eind van de werkwoordsstam en de uitgang.

Het Brabants houdt daar rekening mee en is in die zin dus logischer dan de Nederlandse spelling. Waarom spreken we niet allemaal Brabants? Omdat ieder dialect op zijn eigen manier allerlei logische problemen heeft opgelost; natuurlijk niet door daar over na te denken, maar op een evolutionaire manier: doordat er toevallig hier of daar iets veranderde dat is blijven hangen.

En net als in de evolutie heeft iedere oplossing die zo ontstaat uiteindelijk iets dat ervoor spreekt. Andere dingen spreken ertegen en die zijn dan elders opgelost. Door alle dialecten samen te nemen kun je zo zien waar het Nederlands mee worstelt.