Over de tand des tijds

Door Marc van Oostendorp

Ik denk dezer dagen veel na over de tand des tijds. Talen veranderen langzaam maar zeker een bepaalde richting op. Soms gaat die verandering heel langzaam, en duurt vele generaties. 
Hoe kan dat? Een verandering die plotsklaps, laten we zeggen in 50 jaar tijd, plaatsvindt is wel te begrijpen: een nieuwe generatie begint anders te spreken dan de ouders. Misschien heeft de nieuwe generatie het anders opgepikt, misschien willen ze zich bewust of onbewust afzetten tegen de anderen.
Maar sommige veranderingen vinden plaats over de duur van eeuwen. Hoe kan dat? Het betekent dat iedere generatie de taal overneemt van de ouders en deze verandert – steeds in ongeveer dezelfde richting. Waarom? Waarom doen ze het niet in een keer? Hoe pikken kinderen op dat de taal überhaupt aan het veranderen is, en wat motiveert hen mee te doen.
Hier is een voorbeeld.

Een goed Nederlands woord bevat één (boom, roos, vis)  of twee (schade) lettergrepen. Wanneer het er twee zijn, heeft een van de twee een stomme [ə] als klinker, zoals de laatste lettergreep van schade.

Aan die woorden heeft de tand des tijds al geknaagd, want we weten dat ze niet altijd zo kort zijn geweest. Het woord boom was in de Germaanse taal waar het Nederlands vanaf stamt zeker langer (zoiets als bauma). Bovendien zijn ook woorden die we lang, lang geleden van de Romeinse overheerser hebben overgenomen (zoals roos – rosa) langer geweest. 
Al die woorden zijn dus in de loop van de tijd langzaam maar zeker geërodeerd. Dat geldt zelfs ook voor sommige woorden die we later hebben geleend uit andere talen: courante werd krant. 
Dat slijten van woorden is, in ieder geval op deze manier ook niet universeel. In het Frans is er bijvoorbeeld geen enkele neiging om krant te zeggen. Ligt dat aan een verschil tussen de Franse cultuur en de Nederlandse? Ik kan me geen enkel verschil bedenken dat al honderden jaren standhoudt en hier een verklaring voor zou kunnen bieden.
Wat er in plaats daarvan, volgens mij, grofweg gebeurt is: op een bepaald moment is er, om wat voor reden dan ook, een groepje woorden ontstaan die eenlettergrepig waren of iets groter (de [ə] is een zeer, zeer korte klinker, een woord als schade heeft eerder anderhalve lettergreep dan twee). Wanneer er maar genoeg van dat soort woorden zijn, kan vanzelf bij kinderen die de taal leren de intuïtie ontstaan dat dit dus de mal is waaruit Nederlandse woorden gegoten worden. (Hoe dat kan, daarover kun je de rest van je leven nadenken.) 
Het is dan weliswaar alleen maar een ideaal, want er zijn in het Nederlands altijd uitzonderingen geweest. Tweeduizend jaar geleden was, stel ik me voor, rosa zo’n uitzondering, driehonderd jaar geleden was courante dat, en nu is encyclopedie er een. Bij iedere volgende generatie bestaat er echter de kans dat de kinderen het woord net niet goed genoeg horen, of oppikken. Bij gebrek aan informatie over de precieze vorm stoppen ze het dan maar in de mal waarin de meeste woorden zitten. En dan is er weer een woord weer een beetje verder afgeknaagd.