Eén tamagotchi, twee tamagotchi


Het concept ‘meervoud’ lijkt in het Nederlands vrij simpel geregeld. Als er één exemplaar van iets is, gebruik je enkelvoud; zijn het er meer, dan plak je er -enof –sachter. Maar hierop geldt een uitzondering, die laat zien dat het wat gecompliceerder ligt dan dat.
Na een getal groter dan één volgt in het Nederlands namelijk in principe een nomen in het meervoud, behalve bij een nomen dat een afmeting (vijf meter) aangeeft, een bedrag (tien euro), een gewicht (drie kilo) of een aantal (twaalf dozijn). De tijdsaanduidingen ‘jaar’, ‘uur’ en ‘kwartier’ krijgen ook een enkelvoud: twintig jaar, twee uur en drie kwartier, in tegenstelling tot vijf dagen en tien minuten. Er zijn ook nog een paar losse woorden die een enkelvoud krijgen, zoals drie man en vijf paar. Het gaat bij al deze woorden natuurlijk wel degelijk om meerdere stuks euro, kilo en man. Hoe kan het dan dat zo’n enkelvoudsvorm mogelijk is? Betekent ‘jaar’ hetzelfde in een jaarversus twintig jaar?

Bij veel van die uitzonderingsgevallen is de meervoudsvorm ook gewoon mogelijk: twintig jaaren twintig jarenzijn allebei goed. Volgens mijn intuïtie is de tweede variant alleen veel langer – ik stel me er een onschuldige veroordeelde bij voor die twintig lange jaren in het gevang zit te smachten naar zijn geliefde, die er vandoor ging omdat zij dacht dat hij schuldig was – dat zijn echt lange jaren hoor! Twintig jaar klinkt daarentegen overzichtelijk: als een eenheid. Het is één celstraf, één exemplaar tijd. Hier zit ‘m natuurlijk de crux: bij een Nederlands meervoud (20 jaren) gaat het om een meervoudig aantal van hetzelfde ding, een 1+1+1 etc. Bij een enkelvoud draait het om een enkelvoudig ding (1 celstraf), dat best uit meerdere identieke onderdelen kan bestaan, maar die worden niet onderscheiden. Bij woorden die een maat aangeven benoem je meestal het geheel: het hele bedrag, of het totaalgewicht. Daarvoor gebruik je dus een enkelvoud. Je gebruikt een meervoud als je de nadruk wilt leggen op de onderdelen van het geheel. Dan kun je ook nog bijvoeglijk naamwoorden gebruiken: twintig lange jaren, tien hele kilo’s. Het bijvoeglijk naamwoord geeft een eigenschap van de afzonderlijke jaren respectievelijk kilo’s. Dan kun je die jaren en kilo’s niet meer als groep benoemen: *twintig lang jaarkan dus niet (maar wel: een lange twintig jaar).
In het Nederlands kun je dit betekenisverschil alleen maken bij maatwoorden (maar niet eens bij alle: bij ‘dagen’, ‘minuten’ en ‘graden’ kan het bijvoorbeeld alweer niet). In veel andere talen is dit verschijnsel heel normaal en frequent. Neem het Bantawa: een aan het Chinees verwante taal die in het oosten van Nepal wordt gesproken. Marius Doornenbal schreef een grammatica over die taal, waarin hij uitlegt dat je in het Bantawa het meervoud niet verplicht hoeft uit te drukken; je kunt best drie boomzeggen als je naar drie bomen verwijst. Alleen als je de nadruk wilt leggen op het stuk-voor-stukkarakter van die bomen, bijvoorbeeld omdat je wilt benadrukken dat het toch echt om drie bomen gaat en niet om twee of vier, dan gebruik je een meervoudssuffix. Je noemt dit ‘individueren’; je verandert de bomen, die je zonder meervoudssuffix als collectief ziet, hiermee in individuele bomen.
Interessant genoeg wordt dat individueren veel vaker bij mensen gedaan dan bij objecten. Daarin staat het Bantawa niet alleen. In veel talen komt een expliciet meervoud vaker bij mensen voor. Dat is ook begrijpelijk: mensen (en in mindere mate dieren) zijn voor ons individuen met unieke eigenschappen, terwijl objecten allemaal op elkaar lijken en geen eigen karakter hebben. Ik ben benieuwd wat er dan gebeurt met de grensgevallen – zou tamagotchiin het Japans een meervoud krijgen?