Edoch: voorgewend deftig

Door Marc van Oostendorp

Ik treed af en toe op in een radioprogramma, en voor mij komt er dan altijd een weerman aan de telefoon. En die weerman zegt dan tijdens zijn weerpraatje (hij mag ook de barometerstanden zeggen en de weerspreuk van de dag, ach, was ik ook maar weerman) af en toe edoch.

Ik hoop dat iemand ooit een uitgebreide studie doet naar het gebruik van dat woord, waarover het WNT al in 1916 schreef: ‘thans bijna alleen in voorgewend deftigen stijl’. Er is waarschijnlijk in de hele geschiedenis van de Nederlandse taal nooit een groep geweest die zo goed het verschil wist tussen écht deftig en ‘voorgewend deftig’. Dus kunnen we aannemen dat er nu, bijna honderd jaar later, geen mensen meer zijn voor wie edoch een normaal woord is.
Nog eerder, in 1877, laat Multatuli al een toneelpersonage (de koning) de spot drijven met een ander (prins Spirido) wanneer deze het woord gebruikt, in zijn stuk Vorstenschool:

SPIR. opstaande, leest uit z’n servet:
– Het Ryksgericht,
Gezien, gehoord, gelet en overwogen,
(…)
Verblyven overzulks in eigendom, by dag,
Aan ’t edele geslacht der Liederlingen.
Edoch…
KON.
– ‘Edoch’ en ‘overzulks’ is fraai.
Zoo’n taal doet onzen Huisde goed, niet waar?

Het woord wordt dus al minstens 135 jaar als overdreven plechtstatig gezien. En toch zijn er nog altijd mensen die het gebruiken. Ik geloof ook niet dat de weerman het gebruikt omdat hij wil dat wij denken dat hij zo deftig is. Hij wil hooguit laten horen dat hij weet hoe het hoort, op de radio.

Het rare is dus dat er woorden zijn die blijven voortleven en gebruikt worden, hoewel ze door taalgevoelige mensen allang doodverklaard zijn. Als kind kun je ze niet oppikken, want in het dagelijks leven worden ze niet gebruikt. Maar toch nemen mensen ze over, van andere mensen die deftig of ‘officieel’ proberen te praten, en ze nemen het dan over, omdat ze denken dat dit inderdaad deftig of officieel is.

Ik ken eigenlijk weinig andere fenomenen waarvoor dat geldt. Ik geloof bijvoorbeeld niet dat er kledingstukken zijn die in de negentiende eeuw uit de gratie raakten bij de goegemeente (slobkousen, ik zeg maar wat), maar die mensen nu nog steeds dragen in de veronderstelling dat ze er dan beter uitzien. Taal is soms uitzonderlijk taai.