Global language of neerlandistiek

Door Marc van Oostendorp

Als ik het goed zie, dringt het Engels de laatste jaren steeds meer door in de neerlandistiek. Ik wees er onlangs al op dat er inmiddels al beschrijvingen zijn van alle aspecten van de grammatica en van de geschiedenis van onze taal in het Engels. Bij een bijeenkomst van redacties van wetenschappelijke tijdschriften over neerlandistiek vorige week in Amsterdam bleek dat alle redacties inmiddels artikelen in het Engels aannemen, en sommigen menen dat ze over een paar jaar helemaal in het Engels zullen zijn.

Natuurlijk, er wordt al jarenlang in het Engels gepubliceerd. Maar dit is toch weer een enkel stapje. Zo maakte ik enkele weken geleden ook naar mijn herinnering voor het eerst mee dat een jonge onderzoeker voor een groep collega’s die allemaal Nederlands kenden toch liever in het Engels sprak omdat hij zijn presentatie in die taal had voorbereid.

Moeten we ons zorgen maken?
Het rare is dat hier nauwelijks serieuze discussie over bestaat. Wat vreemd is dat toch: er vinden enorme verschuivingen plaats met taal in het openbare leven maar daarover hoor je minder dan over het Koningslied.

Dit weekeinde las ik het nieuwe boek Does Science Need a Global Language? waarin de Amerikaan Scott L. Montgomery de gegevens in de internationale (natuur)wetenschap heel kundig en leesbaar op een rijtje zet. Hij bespreekt zorgvuldig allerlei kanten van de zaak, maar zijn slotsom is toch vooral positief: door de komst van één internationale taal worden er ineens grote reservoirs van denkkracht aangesproken en daar kan de wetenschap alleen maar mee vooruit komen.

Zoiets zou je natuurlijk ook voor de bestudering van de Nederlandse taal- en letterkunde kunnen zeggen. Op zijn minst de confrontatie met ideeën over andere talen en andere culturen kan onze blik alleen maar verstevigen.

Daar staan ook wel nadelen tegenover. Montgomery bespreekt er een waar ik nog niet eerder goed over had nagedacht: dat de wetenschap hierdoor ook steeds uniformer wordt. De ‘retoriek’ van alle wetenschappelijke artikelen over de hele wereld begint steeds meer op elkaar te lijken. “Such standards of English scientific prose – from the impersonal, nonliterary, and jargon-dependen style to the inclusion of elements such as the abstract, reference list, and normalized visual forms (maps, graphs, models and so on) – act as universals (…) Flexibility in grammar and syntax is thus not matched by flexibility in syntax.”

Die uniformiteit is aan de ene kant positief – doordat er maar één manier van schrijven is, gaat het niet om hoe je het opschrijft, maar wat je opschrijft. Je overtuigt niet door het mooi op te schrijven, maar door de kwaliteit van je gegevens en je argumenten. Maar het vervelende is dat er natuurlijk geen ‘neutrale’ manier van ‘de waarheid’ bestaat, of althans, dat we niet zeker weten dat het artikel met grafieken en tabellen die vorm is.

Wat variatie zou wat dat betreft gezonder zijn – wie weet hoe een nieuwe ontdekking gepresenteerd moet worden. Aan de andere kant staat die kwestie los van de taal. Ook in het Engels kun je allerlei vormen van standaards van wetenschappelijk proza aan.