Als De Schutter dat geweten had, of zou geweten hebben…

door Jan Stroop


Georges de Schutter betoogt in zijn artikel ‘De werkwoordelijke eindgroep en nog steeds geen einde?’ dat metrum en ritme belangrijke factoren zijn bij de keuze van de volgorde in de werkwoordsgroep. ’t Is een artikel dat zich niet leent voor lezing bij hoge temperaturen. Marc van Oostendorp geeft er in zijn blog de essentie van weer: we zeggen liever gelopen had dan had gelopen, omdat de eerste volgorde beter klinkt. Dat laatste vind ik ook, maar de vraag is of dat ‘klinken’ wel uit dit onderzoek geconcludeerd mag worden. De Schutter baseert zich namelijk op geschreven taal, een roman van Hella Haasse en teksten uit twee Vlaamse kranten (Knack en De Standaard) van journalisten die beide volgordes door elkaar gebruiken, de rode (had gelopen) en de groene (gelopen had) volgorde. Zo heten ze nu eenmaal, sinds ze met die kleuren door Anita Pauwels op haar dialectkaarten weergegeven werden.
Dat er grote verschillen zijn tussen geschreven en gesproken taal had ik al gemerkt toen ik de uitkomsten van ’t boek van Mona Arfs vergeleek met de gegevens uit het Corpus gesproken Nederlands (CGN), meer speciaal die uit de subcomponenten ‘spontane spraak’; bij elkaar zijn dat ruim 5 miljoen woorden. ’t Corpus van Arfs bestond uit voorgelezen teksten (bijv. voor het TV-Journaal), krantenteksten en juridische teksten, kortom geschreven taal, net als bij De Schutter. Zie onderstaand staatje (NB. gekocht staat hier voor ‘voltooid deelwoord’) .

   Totaal
   had gekocht
   gekocht had
    CGN (Ned.)
   4212
    1573 : 37%
     2639 : 63%
      Arfs
   3642
    2625 : 72%
     1017 : 28%

              Tabel 1. Volgorde in de tweeledige groep in de bijzin
Het antwoord op de vraag waarom de volgorde in de onderzochte geschreven taal van Arfs zo vaak voorkomt, ligt voor de hand. Journalisten vinden dat die volgorde beter is. Dat hoorde ik al in 1970. Toen ik onlangs een vooraanstaand  journalist van De Volkskrant vroeg waarom hij toch steeds de rode volgorde schreef, was dit zijn antwoord: “het is inderdaad iets dat journalisten elkaar wijsmaken. Toen ik bij de Volkskrant begon en ‘geweest is’ schreef, zei een eindredacteur: ‘is geweest’ is mooier.’ Toen ik vroeg waarom dan, zei hij: ‘Dat zei Jan Blokker.’ Dus tja, dan sta je met de mond vol tanden. Maar ik zal erop letten. ” 
Van dat laatste mooie voornemen is bij deze journalist weinig te merken. Als zelfs een stijlbewuste journalist het niet kan laten om (bijna) steeds de rode volgorde te gebruiken, dan is ’t geen wonder dat ’t bij zijn collega’s ook de gewoonste zaak van de wereld is. Kijk er trouwens de kranten maar op na en anders de hertaling van Max Havelaar. Bij sommigen is ’t een dwangneurose geworden die zinnen produceert als: nadat ze 60 jaar waren getrouwd.
Juist als het gaat om wat beter klinkt of soepeler loopt, is een database met gesproken taal een belangrijke aanvulling, of liever gezegd, die zou op de eerste plaats moeten komen. Dat blijkt nu opnieuw uit de verschillen tussen wat De Schutter gevonden heeft en wat het CGN te zien geeft.

Op blz. 16 constateert De Schutters: “dat heeft/hebben opgeraapt bij de meeste taalgebruikers zoveel populairder is dan opgeraapt heeft/hebben.”  ’t Aantal gevallen van zulke scheidbaar samengestelde werkwoorden in zijn corpus is 118:  bij 94 (80%) staat ’t hulpwerkwoord voorop (rood) , bij 24 (20%) ’t deelwoord (groen). De Schutter voert die voorkeur voor rood bij dit soort werkwoorden terug “op de algemene tendens om in de werkwoordelijke eindgroep bij voorkeur een jambisch patroon te realiseren.” En op blz. 28 stelt hij inderdaad vast dat 57% van de gerealiseerde eindgroepen een jambisch patroon vertonen en ook, op één na, allemaal het hulpwerkwoord vooraan hebben. Jammer dat hij hier geen voorbeelden geeft. Betreft ’t eindgroepen met een meervoudig  hulpwerkwoord, zoals ’t enige voorbeeld dat op blz. 16 staat: hebben opgeraapt? Dat is in elk geval niet jambisch, maar trocheïsch. Overigens kunnen zijn conclusies op zijn best alleen gelden voor bepaalde soorten geschreven Nederlands.
In ’t gesproken Nederlands van ’t CGN liggen de verhoudingen bij die scheidbaar samengestelde werkwoorden duidelijk anders. Ik heb 167 gevallen gevonden (oplossen, opnemen,  opzetten, opstellen,  meemaken,  meegaan, enz.). De percentages zijn hier: rood 40%,  groen 60%.  Dus andersom als bij De Schutter. In gesproken Nederlands is de volgorde opgeraapt heeft/hebben populairder dan de omgekeerde. Voor dat Nederlands is dus ook een andere verklaring nodig, want opgeraapt heeft/hebben is niet jambisch, zelfs niet regelmatig.

Perfect jambisch is een werkwoordsgroep als gelopen had:  hij vertoont een opeenvolging van zwak-sterk-zwak-sterk, in de notatie De Schutter: <- + - 0>. Bij een groep als gewerkt had hebben we een onvolledig jambisch patroon: zwak-sterk-zwak, of <- + 0 >. Dan zijn er groepen als gewerkt hebben waarbij “geen enkele variant tot een excellent resultaat leidt, b.v. als de alternatieve werkwoordelijke groepen resp. het patroon <-+0-> (gewerkt hebben) en <0- -+> (hebben gewerkt) vertonen” (blz. 35). Geen van tweeën is jambisch. De Schutter heeft “de voor het volledig begrijpen van voorkeuren” de relevante vraag welke keuze hier gemaakt wordt, moeten laten liggen.

In ’t  CGN komen 183 van zulke werkwoordsgroepen voor: 135 vertonen de groene volgorde (74%), 48 (26%) de rode. De volgorde gewerkt hebben (voltooid deelwoord –  hulpwerkwoord) is dus veruit dominant. Hier heeft een eventuele metrische voorkeur voor de jambe geen rol gespeeld. Interessanter is nu welke volgorde de sprekende Nederlander kiest in het enkelvoud. Gewerkt heeft vertoont een jambisch patroon, heeft gewerkt juist niet. Je zou dus verwachten dat bij dit type werkwoordsgroep de groene volgorde nog meer voorkomt dan bij niet-jambische als gewerkt hebben. Dat blijkt niet zo te zijn. Bij een totaal van 176 is 62% gewerkt heeft,  38% heeft gewerkt.

Hoe zit ’t met de meerledige werkwoordsgroepen? Niet ondenkbaar dat daar, anders dan bij de scheidbaar samengestelde werkwoorden, wél een jambisch patroon in te herkennen is. Ik neem als voorbeeld de drieledige groep in de bijzin. Zie dit staatje dat afkomstig is uit Stroop 2009.

   CGN
Totaal
    zou hebben gedaan
   zou gedaan hebben
   gedaan zou hebben
Ned.
233
21: 9 %
8 : 3%
204 : 88%
Vla.
206
5 : 3%
153 : 74%
48 : 23%

Tabel 2. Volgorde in de drieledige groep in de bijzin
Volgens De Schutters notatiesysteem ziet die afwisseling er hier zo uit:
Volgorde A, zou worden gedaan: 0 + – –  + (sterk-sterk-zwak-zwak-sterk)
Volgorde B, zou gedaan worden: 0  – + 0 –  (sterk-zwak-sterk-sterk-zwak )
Volgorde C, gedaan zou worden: –  + 0 0 –  (zwak-sterk-sterk-sterk-zwak)
De drie volgordes voldoen geen van alle aan de eis van een regelmatige afwisseling, volgorde C nog ’t minst. Toch wordt die ’t meest gebruikt. Ook als het voltooid deelwoord eindigt op een zwakke lettergreep, gelezen zou hebben, blijft volgorde C metrisch onregelmatig: zwak-sterk-zwak-sterk-sterk-zwak. En dat is ook ’t geval als de persoonvorm meervoudig is: gedaan zouden hebben: zwak-sterk-sterk-zwak-sterk zwak. Alleen gelezen zouden hebben is regelmatig én jambischzwak-sterk-zwak-sterk-zwak-sterk.
Ook bij dit type werkwoordsgroep is de keuze van de volgorde niet bepaald door een metrische factor.

In bovenstaande tabel 2 is te zien dat er grote verschillen bestaan tussen Nederland en Vlaanderen. In de gesproken taal in Nederland wordt een ander patroon gebruikt dan in die in Vlaanderen. In Vlaanderen is dat in meerderheid volgorde B, in Nederland in een veel groter percentage volgorde C. Dat verschil wordt zelfs groter bij de andere werkwoordsgroepen; en er blijkt systeem in te zitten; zie Stroop 2009. Wel zijn ’t alle twee uitbreidingen van de tweeledige groep, maar ze verlopen anders. Aan de tweeledige groep is niet te zien van welk systeem hij deel uitmaakt.

In ’t Nederlandse systeem staat ’t deelwoord maximaal vooraan:
bijzin: gekocht had
hoofdzin: (zou) .. gekocht hebben
bijzin: gekocht zou hebben
hoofdzin: (zou) .. gekocht willen hebben
bijzin:  gekocht zou willen hebben
enzovoorts
In ’t Vlaamse staat ’t voltooid deelwoord onmiddellijk voor ’t laatste (hoogste) hulpwerkwoord:
bijzin: gekocht had
hoofdzin: (zou) .. gekocht hebben
bijzin: zou gekocht hebben
hoofdzin: (zou).. willen gekocht hebben
bijzin: zou willen gekocht hebben
enzovoorts
In de 17e eeuw werd ’t Vlaamse systeem, de eigen syntactische norm in Vlaanderen (Daems 1981), door Nederlandse schrijvers bijna even vaak gebruikt als ’t andere: 43% tegenover 48% de andere volgorde, en de overige de derde volgorde. In 19e-eeuwse Nederlandse kranten is ’t bijna 50%; zie tabel 3. Ook Multatuli schreef meestal zo: “uitdrukkingen …die in de tweede kamer zouden gebezigd zyn.” (6-12-1862).

  Kranten
Totaal
   zou hebben gedaan
     zou gedaan hebben
   gedaan zou hebben
19e e
 9352
     2937 : 31,4 %
 4597 :  49,2%
 1818 : 19,4%
20e e
38301
17987 : 47%
7158 : 18,7%
13156 : 34,3 %
1980-89 
  1131
      755: 67% 
      6 : 0,5% 
    370 : 32,5% 
Tabel 3. Volgorde in de drieledige groep in de bijzin (Historische kranten)

Tegenwoordig komt dit Vlaamse systeem in de Nederlandse kranten vrijwel niet meer voor; tussen 1980 en 1989 was ’t daar nog maar 0,5%,  in gesproken Nederlands is ’t 3%; zie tabel 2 en 3. Er heeft in dat gesproken Nederlands dus een ingrijpende verandering plaats gevonden, die ’t voltooid deelwoord helemaal naar voren haalde. Daardoor ontstond een type werkwoordsgroep met een ander intonatiepatroon: een sterk begin, gevolgd door neergaande reeks hulpwerkwoorden, een soort groen intonatiepatroon. 

’t Vlaamse systeem, een stijgende reeks gevolgd door ’t hoogtepunt, gevolgd door een korte neergang, rood+groen eigenlijk, weet in Vlaanderen van geen wijken; zie Daems 1981. Waarom dat zo is en waarom dat systeem in Nederland wel verdwenen is, daar zou nog eens naar gekeken moeten kunnen worden, dus niet steeds alleen maar naar die tweeledige werkwoordsgroep. Dat is mijn desideratum. En misschien moet iemand ook eens proberen zijn eigen voorkeuren onbevangen te beschrijven, net zoals een grammaticus dat doet. Niet vanaf papier, maar al sprekende.

De Schutter heeft een ander desideratum:  Zo’n omvangrijk corpus (een gediversifieerd corpus met inbegrip van gesproken taal) is ook een absolute must. En verderop nogmaals: een ruim elektronisch doorzoekbaar corpus bij voorkeur dan ook nog eens met een uitgesproken sociolinguïstisch profiel wat de sprekers / schrijvers en de aard van de onderzochte teksten betreft.
Maar dat is er dus al, ’t Corpus Gesproken Nederlands!  Als De Schutter dat geweten had….
Literatuur:
Mona Arfs, M. Rood of Groen? De interne woordvolgorde in tweeledige werkwoordelijke eindgroepen met een voltooid deelwoord en een hulpwerkwoord in bijzinnen in het hedendaags Nederlands,  Göteborg 2007.
Frans Daems,  Een eigen syntactische norm in Vlaanderen? Volgordevariatie in werkwoordgroepen. In: Hdl. Nederlands Filologencongres, Holland University Press, Amsterdam 1981: 119-125.