Al dat gemaar

Over het verschil tussen functiewoorden en inhoudswoorden
Door Marc van Oostendorp
Een van de fundamentele splitsingen in de grammatica is die tussen inhoudswoorden en functiewoorden. De eerste groep zijn zelfstandig naamwoorden als dropje en baret, werkwoorden als sjoemelen en verfomfaaien en bijvoeglijk naamwoorden als enthousiast en gespikkeld. Het zijn, zoals de term suggereert, woorden met een duidelijke eigen inhoud. Bovendien groeit dit deel van de woordenschat iedere dag (ponypletter, konijnenfluisteraar, kabouternationalisme). 
De functiewoorden zijn bijvoorbeeld lidwoorden (de, het, een), voegwoorden (omdat) of hulpwerkwoorden (hebben, zullen, kunnen) met veel minder betekenis. De groep functiewoorden groeit niet of nauwelijks. De laatste dag dat het Nederlands een nieuw lidwoord verwierf ligt alweer enige tijd achter ons.

Taalkundigen gaan er vaak vanuit dat de grens tussen functie- en lexicale woorden heel scherp is. Maar volgens een nieuw artikel van Marijke De Belder en Jeroen van Craenenbroeck is de grens tussen functiewoorden en inhoudswoorden vaag.
Het artikel is nogal technisch en gaat over een aantal verschillende onderwerpen, maar op zich zijn de inzichten niet moeilijk te begrijpen. De Belder en van Craenenbroeck wijzen op voorbeelden zoals de volgende:

1- Ik heb het waarom van die zaak nooit begrepen.
2- Martha is mijn tweede ik.
3- De studenten jij-en onderling.
4- Niets te maar-en!
5- Ik hoef al dat ge-maar, ge-alhoewel, ge-of, ge-, ge-waarom, ge-nooit, ge-ik niet.

In voorbeelden (1) en (2) zijn functiewoorden zelfstandig naamwoorden geworden, in een woordgroep met een lidwoord of bezittelijk voornaamwoord en andere bepalingen. In de voorbeelden (3) en (4) worden functiewoorden tot zelfstandige werkwoorden. Voorbeeld (5) laat zien dat zo ongeveer ieder woord in een ge-constructie kan worden geplaatst om een zelfstandig naamwoord te maken.

Dat zijn interessante feiten, maar er zijn toch ook wel beperkingen. Vooral de werkwoordsvoorbeelden zijn lastig uit te breiden. Jij’en en maren zijn een soort vaste verbindingen. Het is moeilijk dezelfde truc te doen met andere functiewoorden, en zelfs om die werkwoorden verder te verbuigen:

6- Niets te alhoewelen! [vreemd]
7- Die studenten ik-en wel heel veel. [vreemd]
8- Ik jij ze iedere dag. [vreemd]
9- Maar niet! [vreemd]
10- Je maart toch niet, hè? [vreemd]

Nu is het om de een of andere reden toch al moeilijker om nieuwe werkwoorden te maken dan nieuwe zelfstandignaamwoorden. En als we ze maken, houden we ze liever onverbogen. De Taalbank, die iedere werkdag met een nieuw in de media opgedoken woord komt, vond er in juni 2013 slechts 2 (alle andere woorden waren zelfstandig naamwoorden): verbussen en straatwassen. Allebei die woorden lijken me moeilijk te verbuigen:

– De NS verbuste gisteren de reizigers. [beetje vreemd]
– Ik straatwas nu eenmaal graag. [zo goed als uitgesloten]