2 aspirines voor 1,1 miljoen Belgen

Door Marc van Oostendorp

Er is iets dat Ludo Permentier gisteren niet wilde uitleggen, in zijn wekelijkse taalcolumn in De Standaard: “dat is zo’n ingewikkelde kwestie dat ik u al naar een aspirientje zie grijpen.”

Gelukkig zijn de lezers van Neder-L, blijkens recent wetenschappelijk onderzoek, dol op hoofdpijn, vooral in de maandagmorgen, dus, hup, daar gaan we. Het is Permentier te doen om paren zinnen als de volgende:

– 1,1 miljoen Belgen nemen elke dag een aspirine.
– Elke dag nemen 1,1 miljoen Belgen een aspirine.

Die zinnen hebben een verschillende betekenis, en dat is nu precies wat zoveel hoofdpijn oproept.

Het verschil is: in de eerste zin ben je geneigd om aan te nemen dat er ruim een miljoen Belgen zijn die allemaal dag in dag uit een aspirientje slikken. Bij de tweede zin ligt het meer voor de hand om te menen dat er weliswaar iedere dag 1,1 mensen zijn die een aspirientje slikken, maar dat dit niet noodzakelijkerwijs steeds dezelfde mensen zijn.

Anders dan Permentier denk ik overigens dat het hier gaat om een relatief verschil. Allebei de zinnen kunnen, als je ze maar de juiste intonatie geeft, en je een beetje je best doet, beide betekenissen hebben. Maar de voorkeur is duidelijk verschillend, en dat heeft iets te maken met de woordvolgorde.

Om die relatie te begrijpen is het nuttig om te zien dat het verschil tussen de twee zinnen vooral zit in een verschil tussen de relatie tussen 1,1 miljoen Belgen en elke dag: nemen we eerst onze selectie van ruim een miljoen en maken we daar een claim over wat die groep (die we nu hebben vastgelegd) iedere dag doen? Of kijken we naar iedere dag afzonderlijk, en maken we dan iedere keer een nieuwe selectie? Daar zit een soort logische ordening in (eerst de Belgen nemen en dan kijken wat ze iedere dag doen, of juist eerst de dagen nemen en dan voor ieder daarvan onze Belgen kiezen).

Het interessante is nu dat die logische volgorde precies weerspiegeld wordt in de woordvolgorde. Dat is misschien een aanwijzing dat je als lezer meteen begint te redeneren wanneer je de eerste woorden leest, en niet eerst het einde van de zin afwacht voor je alles in elkaar zet.

Overigens wordt de zin nog veel rijker wanneer we ook een aspirine erbij gaan betrekken. In het voorbeeld hierboven is dat door het onbepaald lidwoord een beetje non-descript: een Belg telt ook mee als hij bijvoorbeeld drie aspirientjes slikt. Maar wanneer we dat getal vast gaan zetten, gaat ook meespelen, en dat kan leiden tot absurde betekenenissen:

– Elke dag nemen tien Belgen twee aspirines.
– Tien Belgen nemen elke dag twee aspirines.
– Twee aspirines worden door tien Belgen elke dag ingenomen.

Het verschil tussen de eerste twee zinnen lijkt erg op het besprokene. De meest voor de hand liggende interpretatie is bovendien dat ieder van die Belgen twee andere aspirines nemen (anders dan de vorige dag en anders dan de andere Belgen nemen). De laatste zin dringt echter een heel andere betekenis op: dat dezelfde twee aspirines dag na dag door hetzelfde groepje van tien Belgen wordt ingenomen (en vermoedelijk daarna weer worden uitgespuwd, klaar voor vervolgconsumptie.)

Onsmakelijk, wat u zegt. En hoewel u tegen een beetje hoofdpijn op de maandagmorgen niet opkijkt, houdt u natuurlijk niet van misselijkheid.

(Er bestaat een uitgebreide literatuur over dit onderwerp; vooral aan Duitse universiteiten is het onderwerp zeer diepgravend bestudeerd. Ik ken alleen geen goede inleiding in de materie. Lezer! Kent u wel zo’n inleiding, geef een verwijzing in het reactiepaneel hieronder.)