Neder-L overschrijven in bed, op het toilet en in bad

Door Marc van Oostendorp 

Er waren tot nu toe niet veel taalboeken waarvan het voorwoord eindigde met de zin ‘Ik wens je veel leesplezier, in bed, op het toilet, in bad, op de bank, in de trein of waar je ook bent.’ Gelukkig is zo’n taalboek er nu wel: Taal voor in bed, op het toilet of in bad van Heidi Aalbrecht.

In 150 kleine bladzijden en met een harde kaft legt de schrijfster er van alles uit over taal: wat het nut is van figuurlijk taalgebruik, of er een oertaal ten grondslag ligt aan alle bestaande talen, wat Chomsky tegen Skinner had, welke dialecten het Fries heeft en hoe verhaspelingen ontstaan. Het boekje is een deel in een serie boekjes waarmee je allerlei andere zaken in bed, op het toilet of in bad tot je kunt nemen: ondernemen bijvoorbeeld, of psychologie, mythologie en vaderlandse geschiedenis. 
In eerste instantie dacht ik: wat een allegaartje.

Aalbrecht springt van het ene vakje naar het andere, legt daarbij allerlei soms wat schoolse begrippen uit waarvan je je afvraagt wie dat precies wil weten (wat een ‘fonologische regel’ is, of welke drieklanken het Fries precies kent), waarbij sommige onderwerpen dan ineens weer ontbreken (er zijn wel hoofdstukjes over fonologie, morfologie en semantiek, maar niet over syntaxis). Wat ze over die onderwerpen vertelt is meestal niet echt fout, maar soms ook niet precies goed. Zo beweert Aalbrecht dat de erkenning van het Limburgs en het Nedersaksisch als streektalen volgens deel 2 van het Europese Handvest betekent dat Nederland zich ertoe verplicht om ‘discriminatie tegen te gaan’, maar dat staat nergens in het handvest.

Waar ze de dingen wel juist zegt, zit ze soms wel erg tegen haar bronnen aan, om niet te zeggen dat ze soms wel erg aan het knippen en plakken is geslagen. Op dit blog legde ik in oktober uit waarom je soms een [p] invoegt in hem[p]t:

Een [m]-klank maak je met je lippen dicht (en lucht die door de neus naar buiten stroomt), een [t] maak je met een tijdelijke totale sluiting van de luchtweg bij de tanden. Een [p] maak je net als een [m], maar zonder lucht door de neus. En daarmee is een [p] de perfecte overgang van een [m] naar een [t]. Een woord als hemd kun je daardoor enerzijds makkelijk horen als hempt (…)

Aalbrecht schrijft over dezelfde kwestie (p. 36; mijn blogpost staat in een literatuurlijst aan het eind van het boekje, maar in de tekst wordt er niet naar verwezen, laat staan dat het onderstaande tussen aanhalingstekens staat):

Een [m]-klank maak je met je lippen dicht, terwijl de lucht door de neus naar buiten stroom. Een [t] vorm je met een tijdelijke totale sluiting van de luchtweg bij de tanden. Een [p] maak je net als een [m], maar zonder lucht door de neus. De [p] is dan ook de perfecte overgang van een [m] naar een [t]. Daardoor klinkt hemd vaak als [hɛmpt] (…)

Ik kan daar heel verontwaardigd over doen, maar eigenlijk vind ik het niet zo erg. Het is maar een korte passage en zo trots ben ik nu ook weer niet op die paar zinnen. (Dit is overigens geen uitnodiging aan Aalbrecht, of aan anderen, om dan voortaan maar hun boeken te vullen met van mijn blog gekopieerde teksten.)

En op een bepaald moment was ik om. Ja, natuurlijk weet ik al die dingen die ze uitlegt wel zo’n beetje, maar voor mij is Taal voor in bed (enz.) ook niet bedoeld. En eigenlijk is het wel goed dat er nu eens iemand een taalboekje durft te schrijven voor een breed publiek met kopjes als ‘fonologie’ en ‘morfologie’. Dat iemand nu eens niet alleen maar met sappige anekdotes komt, maar een compact en tamelijk gedegen overzicht van het vakgebied van de taalkunde geeft voor leken, met als toetje wat tips om d/t-fouten te vermijden.

Er zijn immers ook wat meer gedegen overzichten over andere vakken, waarom zou de taalkunde altijd leuk moeten zijn?

Als ik me probeer voor te stellen dat ik geen taalkundige ben, verzink ik in eerste instantie in een grote zwarte identiteitscrisis. Maar als ik dan doorzet, geloof ik dat ik heel graag zo’n boekje als dit zou lezen. Het is natuurlijk ook precies geschreven voor de plaats waar je geen internet hebt (in bed kun je om tot rust te komen beter niet in een scherm kijken, en in bad is dat ook niet zo veilig), maar toch nog even een kort en handzaam overzicht van een vakgebied kunt krijgen.

Er kunnen nooit genoeg taalboeken zijn.

Heidi Aalbrecht. Taal voor in bed, op het toilet of in bad. Amersfoort: BBNC, 2013. Bestellen bij de auteur.  Op haar website staat ook een proefhoofdstuk.