Over Bertus Aafjes, Cees Buddingh’ en P. Hoogenboom

                                                                               Door Bart FM Droog

Als je het hebt over het boek in 1942 zullen veel mensen denken aan illegaal drukwerk of juist aan producten uit de naziboekenhoek. Het gros van wat toen verscheen bestond evenwel uit ‘normale’ boeken. Het was een zeer goede tijd voor de boekenbranche. Boekhandelaren verzuchtten zelfs dat ze door de drukte niet aan hun administratie toekwamen of klaagden dat hun winkel op een warenhuis begon te lijken – al die verkoop! Veel gekker moest het niet worden.[1]

In dit vruchtbare leesklimaat verschenen enkele bloemlezingen uit het werk van ‘jongere’ dichters. De bekendste was Stille opmars, een door F.W. van Heerikhuizen (1910-1969) samengesteld werk met poëzie van negentien dichters. Het bevat een dertig pagina’s tellende inleiding die doet denken aan het gezwets dat je ook tegenwoordig nog in voorwoorden van anthologieën tegenkomt: (…) “men lokt daarmee juist de gevaarlijke, zuiver irrationele, egocentrische subjectiviteit aan, om de doelloze atomen tot grillige groepen samen te klinken (…)”. Omdat hij ook nog dichters in allerhande hokjes poogde te proppen en zich denigrerend uitliet over het werk van deze of gene waren zijn generatiegenoten niet direct amused over dit werk.

Eind 1942 verscheen Twee recht, twee averecht, een door C. Budddingh’ (1918-1985) en Anthony Bosman (1917-1966) samengestelde bloemlezing uit het werk van vijfenvijftig dichters (waarvan elf ‘oudere’ en vierenveertig ‘jongere’). Een feestelijk werk, met een korte heldere inleiding, en met veel destijds niet eerder gepubliceerde gedichten. Koos Schuur maakte in het boekje zijn dichtdebuut in boekvorm, met het nu nog vrij bekende vers ‘Besluiteloos sprookje’. Ook bevat het poëzie van C. Buddingh’ zelf, van Theo van Baaren en andere Schone Zakdoek-medewerkers én – heel verrassend voor een ‘legaal’ boek uit eind 1942 – verzen van de toen al gearresteerde Jan Campert (1902-1943), van nazi-tegenstander E. du Perron (1899-1940) en van de Joodse Maurits Mok (1907-1989).

Het NPE-redactieteam traceerde twee recensies van Twee recht, twee averecht. Een zeer positieve van G.H. ’s Gravesande (1882-1965), die in hetzelfde artikel ook o.a. Stille opmars bespreekt (in Het Vaderland, 03-10-1942) en een zeer negatieve, door Bertus Aafjes (1914-1994), in De Tijd, 27-11-1942. Hoewel Aafjes zelf met werk in Twee recht… is opgenomen schrijft hij: ‘(…) Het [is] bedroevend te zien, hoe weinig werkelijk goede verzen er door de nieuwe generatie zijn geschreven.  Maar wat is de nieuwe generatie eigenlijk? Volgens dit boekje alles, wat de laatste jaren met flair gepubliceerd heeft. Het is een ramp. (…)’

Kennelijk had Aafjes toen het zuur – want anno 2013 blijkt dat C. Buddingh’ en Anthony Bosman een wel zeer goede neus hadden voor jonge dichters die later sprankelende schrijfcarrières zouden hebben. Slechts één (P. Hoogenboom) van de door hen gekozen vijfenvijftig is zeventig jaar later in de totale vergetelheid verdwenen. Voorwaar geen slechte score.

[1] Jan Schilt. Hier wordt echter het belang van het boek geschaad… Het Nederlandse boekenvak 1933-1948. Mets, Amsterdam, 1995. P. 185.