Mooie woorden zijn een ziekte

Door Marc van Oostendorp

De onlangs teruggetreden Leidse hoogleraar Jaap Goedegebuure is geloof ik niet een erg polemisch ingestelde persoon. Ik kan me niet herinneren dat er vlammende essays tegen hem geschreven zijn, of dat hij zelf auteurs kwetsend beschreven heeft. Ook in zijn academische carrière heeft hij geloof ik geen grote vijanden gemaakt.

Het is dan voor de buitenstaander (want wat weet ik er eigenlijk van) ook enigszins wonderlijk dat Goedegebuures Leidse collega’s nu net Strijd! tot het onderwerp van hun afscheidsbundel gekozen hebben. Maar dat wil niet zeggen dat het geen interessant boek geworden is.

Integendeel. De Nederlandse literatuur bloeide vaak pas op wanneer er een potje geknokt kan worden, misschien omdat chagrijn bij ons vanoudsher de meest geaccepteerde emotie is. Enthousiasme of liefde houd je liever voor je, maar als je pissig bent, zeg je het. Dat laat Strijd! goed zien.
Het boek is opgezet als een literatuurgeschiedenis: het begint met een stukje van Joost van Driel over de kritiek van de dertiende eeuwer Jacob van Maerlant op de minstrelen die ‘overal en altijd verzinsels bazelen’ (callen vro ende spade vele borden, vele loghen). Het eindigt met een beschouwing van Odile Heynders over de dagelijkse ‘Voetnoot’ van Arnon Grunberg in de Volkskrant (‘Op de voorpagina van een krant moet je de mensen om de oren slaan met hun duistere kant’).

Waarover maakte men zich zoal kwaad? Dat kon natuurlijk gaan over geloof (Bilderdijk die Van der Palm veel te vrijzinnig vond: ‘Die met een duivlenlach op ’t huichlend aangezicht / Den mond der waarheid zelv’ van logentaal beticht’, over politiek (de sociaal-democraat J.H. Scheps die de criticus Roel Houwink betichtte van meeloperij tijdens de oorlog), of over afkomst (de strijd die er in 1947 werd gevoerd rondom de komst van de Duitse schrijver Thomas Mann naar Nederland).

Het enige onderwerp dat eigenlijk constant lijkt te zijn gebleven, is de strijd om taalgebruik en stijl. Die blijkt al ongeveer zo oud te zijn als de Nederlandse letterkunde en altijd op hetzelfde neer te komen: schrijvers verwijten hun tegenstanders veel te mooi te schrijven.

Die begon dus al met Van Maerlant. “De opgesmukte taal is leeg,” zo vat Joost van Driel Van Maerlants taalbeeld samen, “zoals ook aardse weelde slechts schijn is. (…) Wie aan deze ijdelheid verknocht is, is verdoemd.”

Hoe de meningen over van alles en nog wat ook veranderd zijn, deze gedachte blijkt de Nederlandse schrijver nooit te hebben losgelaten. Zo echode Frederik van Eeden aan het begin van de twintigste eeuw Van Maerlant toen hij over de ‘woordkunst’ van Lodewijk van Deyssel schreef : “De weelde is parasitair, en leidt dus onmiddellijk tot ziekte en ontaarding.” Van Deyssel had volgens hem “het woord meer liefgehad dan God en het had andersom moeten zijn.”

Wanneer je Strijd! met deze blik leest, ontdek je in allerlei bijdragen sporen van deze afkeer van mooie woorden. Zo bracht Harry Mulisch in zijn beroemde pamflet Het ironische van de ironie blijkens de bijdrage van Eep Francken ook de weelderige stijl van Gerard Reve in verband met bederf: “geen zin [kan] het stellen zonder vondst, zonder knipoog, een gespitst mondje, een opgestoken pink, een presentje, een heupwiegeltje, een snuifje, een poepje, een winterteen, een lachje, een traantje.”

Ik zou eigenlijk wel willen weten of dit nu een typisch kenmerk is van de Nederlandse letteren, deze permanente afkeer van de dingen mooi zeggen – of het ook elders zo dodelijk wordt beschouwd om erop te wijzen dat iemand van iedere zin iets probeert te maken.

In ieder geval blijkt ook Jaap Goedegebuure in zijn meer polemische momenten niet ongevoelig te zijn geweest voor deze manier van argumenteren. Dat blijkt uit een artikel dat Goedegebuures voorganger Ton Anbeek schreef, waarin hij de haat-liefderelatie nagaat tussen de criticus Goedegebuure en de schrijver Willem Brakman. In zijn kritische momenten blijkt Goedegebuure over Brakman geschreven te hebben: “De stijl overschittert het gegeven” of te hebben gememoreerd dat zelfs liefhebbers van diens werk spraken van “bellenblazerij, (…) aanleiding gevend tot hardop gegiechel”.

Suzanne Fagel, Eep Francken en Rick Honings (red.) Strijd! Polemtiek en conflict in de Nederlandse letteren. Leiden: Leiden University Press, 2013. ISBN 978-908-72-8168-7. Bestelinformatie bij de uitgever.

Update 18 februari 2013, 17:17. Jaap Goedegebuure schrijft me om het misverstand uit de weg te ruimen ‘als zou ik zelden hebben gepolemiseerd en ook geen vijanden hebben’. Hij geeft daarbij een hele lijst epitheta die hem in de loop van de tijd zijn toegevoegd, maar ik laat het aan toekomstige generaties literatuurwetenschappers over om deze op te diepen.