De toekomst van het wetenschappelijk tijdschrift

Door Marc van Oostendorp

De toekomst van het wetenschappelijk publiceren is misschien wel gisteren begonnen. Het heet PeerJ.

Er gaat iets gebeuren, de komende jaren. Er moet iets gebeuren. Terwijl in de grote wereld buiten de wetenschap uitgeverijen het steeds moeilijker krijgen – waarom zou je nog zo’n organisatie nodig hebben die een strik om je werk binden en het dan in de boekwinkel leggen wanneer je zelf rechtstreeks met de iPad van de lezer in contact kunt komen – hebben in de wetenschap de commerciële uitgeverijen nog een redelijk stevige grip op de markt.

De komt door de manier waarop de carrièrestructuur van een onderzoeker internationaal gegroeid is. Alle belangrijkste, eigenlijk vrijwel de enige maat, voor wetenschappelijk succes zijn gebaseerd op publicatie in een erkend tijdschrift: hoeveel heb je er in een jaar, hoeveel verschijnen er in een jaar die naar jouw werk verwijzen, enz. Het is natuurlijk heel moeilijk om een ‘erkend’ tijdschrift van de grond te krijgen – je moet al een tijdje bestaan en belangrijke artikelen gepubliceerd hebben, maar mensen willen alleen maar belangrijke artikelen plaatsen in tijdschriften die al erkend zijn. En dus is die markt extreem conservatief – in mijn eigen vak, de fonologie, zijn er de afgelopen jaren nauwelijks nieuwe titels bij gekomen.

Nu wordt er wel een beetje gemorreld: de eerbiedwaardige Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen hield vorige week zelfs een bijeenkomst over Open Access: het idee dat tijdschriftartikelen gratis voor iedereen (‘de belastingbetaler’) via internet toegankelijk zijn. Het probleem daarbij is dat er volgens de commerciële uitgevers dan nog steeds iemand moet betalen – namelijk de auteur.

Terwijl het helemaal niet duidelijk is dat het zo wel moet. Natuurlijk kost het publiceren van artikelen geld – voor opmaak, voor de servers, enzovoort – maar in de eerste plaats is mij nooit duidelijk geworden waarom dit nu zo enorm veel meer geld zou moeten kosten dan het online publiceren van een willekeurig ander tijdschrift (waar toch doorgaans niet tientallen miljoenen mee gepaard gaan). En in de tweede plaats zouden Universiteitsbibliotheken zo’n taak best op zich kunnen nemen – ze zouden het kunnen betalen omdat ze immers die dure abonnementen niet meer hoeven te betalen.

Maar het gaat verder. Je zou eigenlijk nog veel meer willen veranderen aan het publicatieproces. Een belangrijke schakel in de publicatie van een artikel is nu peer review – je artikel wordt anoniem beoordeeld door enkele vakgenoten. Dat vertraagt het proces vaak enorm – de reviewers hebben geen tijd en vergeten het, komen dan met enkele opmerkingen die verwerkt moeten worden, maar wanneer ze zijn verwerkt zijn ze niet meer beschikbaar, zodat iemand anders ernaar moet kijken, enz. Bovendien werkt peer review natuurlijk conservatief: een artikel dat niemand tegen de schenen schopt, overleeft het proces veel gemakkelijker dan een wat dwars artikel. En zo zijn er meer bezwaren.

Het interessante van het nieuwe tijdschrift, PeerJ, is dat het op al die vlakken aan het experimenteren is. Volgens het manifest dat de uitgever op zijn weblog plaatste, wil hij uiteindelijk alle wetenschappelijke artikelen gratis maken – voor lezers én schrijvers, en willen ze experimenteren met nieuwe vormen van publiceren, van het beoordelen van artikelen (bijvoorbeeld door een artikel eerst te publiceren en dan automatisch te laten checken hoe gunstig erop wordt gereageerd in andere wetenschappelijke publicatiefora) en ook in het plaatsen.

PeerJ is nu vooral gericht op de medicijnen en de biologie. Wij zullen in ons vak nog wel even wachten – maar een doorbraak gaat er bij ons komen. Ik ben benieuwd!