Column 91: het dieet van Karel de Grote

Vorige week woensdag, 30 januari 2013, presenteerde De Wereld Draait Door (DWDD) de herontdekking van een schild gesneden uit het gewei van een eland. Het curiosum was in 1952 door de Duits-Nederlandse bankier Mannheimer aan het Rijksmuseum cadeau gedaan, waar het sindsdien in de kelder bewaard werd. Aan het schild kleefde een verhaal: het zou afkomstig zijn uit de abdij van St. Arnould te Metz, waar Lodewijk de Vrome (778-840) begraven werd, de vierde zoon van Karel de Grote, die hem opvolgde als koning van Frankrijk. Blijkbaar werd dit verhaal destijds niet serieus genomen, want er werd niets mee gedaan. Ook was er geen ander, vergelijkbaar schild bekend. Men hield zelfs rekening met de mogelijkheid dat het om een vervalsing ging.
In het kader van werkzaamheden die voorafgingen aan de aanstaande heropening van het Rijksmuseum, kwam dit object onder ogen van de conservatoren Jan de Hond en Frits Scholten. Laatstgenoemde kreeg, zoals Jan de Hond in DWDD vertelde, een goed gevoel toen hij het schild in handen nam. Het voelde “echt” aan. Zou het dan toch waar zijn? Zou dit schild van Lodewijk de Vrome geweest zijn?

Wat in 1952 nog niet mogelijk was, kon nu wel: datering door middel van de koolstof isotoop C14. C14 onderzoek bracht aan het licht dat het schild gedateerd moest worden tussen circa 980 en circa 1015. Het was dus in elk geval oud.

Hierna kwam Herman Pleij aan het woord, die, nadat hij telefonisch door de redactie van DWDD van deze vondst op de hoogte gebracht was en uitgenodigd om hierover zijn licht te laten schijnen, onmiddellijk in zijn boekenkast gedoken was op zoek naar een relatie tussen dit elandschild en Lodewijk de Vrome. En die vond hij, naar eigen zeggen, tot zijn eigen verbijstering: “onderzoekersgeluk”.

Wat doet een eland bij Lodewijk de Vrome, vroeg Pleij zich af, bij deze zielige, tragische koning, die toch vooral een goed christen wenste te zijn? Welke symbolische waarde had de eland in die tijd? Was zo goed als niets over te vinden. Pleij vond dat de middeleeuwse wetenschap leerde dat de eland zo’n overbeet had dat hij alleen maar kon eten door achteruitlopend te grazen. Daarom stond de eland model voor matigheid met voedsel, want door zijn handicap kon hij minder eten dan hij eigenlijk wilde. Volgens Pleij hadden de Merovingers en de Karolingers een eetprobleem. Zij leden aan vraatzucht, ‘gula’ in het Latijn. Neem nou Lodewijks vader, Karel de Grote, die at als hij op dieet was, elke dag een kraanvogel, drie schouderstukken, één kapoen en drie kippen. “Wat hij dan normaal at, daar kun je je van alles bij voorstellen.” Vanzelfsprekend leidde deze macho vreetcultuur tot hitsigheid en als gevolg daarvan tot ongeremd gedrag aan tafel: veel boeren, veel winden laten …

Het zal u niet verbazen dat het publiek zichtbaar genoot van deze met verve gebrachte exegese. Maar als kijker vraag je je af wie er hier doordraait. Het beeld dat de niet-academisch geschoolde Nederlander van middeleeuwse tafelmanieren heeft, is (haast) uitsluitend gebaseerd op bioscoopfilms en televisieseries als Floris (van Rosemondt). En daarin wordt vaak, zo niet altijd, zonder enige kennis van zaken een loopje met de historische werkelijkheid genomen, zoals Pleij zelf streng recenseerde naar aanleiding van Jos Stellings filmdebuut, Mariken van Nieumeghen (1975), destijds een ongekend succes bij het grote publiek. Waarom dit soort vooroordelen bevestigen?

In zijn boekenkast vond Pleij een boek met fotos van bladzijden uit een handschrift van een tijdgenoot, Hrabanus Maurus, met daarin een tekst die ofwel door Lodewijk besteld was ofwel aan hem was opgedragen. In dat handschrift stond een afbeelding van de vier evangelisten met hun symbolische dieren en in hun midden een dier, dat Pleij identificeerde als een eland. Zie hier een screenshot van deze miniatuur:

“En wenend zakte ik onder mijn bureau uit.”

Volgens Pleij is dit symbool van de eland “speciaal voor Lodewijk de Vrome bedacht. Hij verbeeldt de bescheidenheid, de matigheid, niet vreten, de eerste Karolinger die niet zich te barsten vreet, en dat wordt uitgedrukt in die eland.”

“Never let the truth spoil a good story”, zegt basgitarist Bill Wyman in het begin van de documentaire Crossfire Hurricane (2012), over de mythevorming rond The Rolling Stones. Hetzelfde geldt voor de eland van Pleij. Als u genoegen neemt met een goed verhaal, moet u vooral niet doorlezen. Niet dat ik u de waarheid kan vertellen, maar …

De Benedictijner abdij van de heilige Arnould te Metz werd gesticht in de zesde eeuw. Karel de Grote liet er een deel van zijn familieleden in begraven, en later werd daar ook Lodewijk bijgezet. Er bestaat zelfs een tekening van zijn graf:

Als ik de Franse Wikipedia goed begrijp, werden de lichamen omstreeks 1239 door de abt Thibault opgegraven en opnieuw in een graf gelegd. Het hierboven afgebeelde graf maakt volgens mijn Gulden legende-collega’s een hybride indruk. Het relief op de zijkant oogt veel ouder dan de sculptuur bovenop de sarcofaag. In 1552 werd de abdij tijdens de belegering van Metz verwoest. De koninklijke graven werden overgebracht naar een ander klooster, maar dat werd tijdens de Franse Revolutie kort en klein geslagen. Van Lodewijks graf wordt nog iets bewaard in het plaatselijke museum. Hoe Lodewijks oorspronkelijke graf er ooit uitgezien heeft …

Nadat het Rijksmuseum eerst had bekend gemaakt dat de C14 datering ca. 1000 had opgeleverd, werd een dag later bekend gemaakt dat het snijwerk dateerde tussen 1100 en 1150. Dat had vergelijkend onderzoek naar de versiering opgeleverd. Lodewijk stierf in 840. Dan zijn er op zijn minst 160 jaren verstreken en misschien wel 200 als het schild zijn huidige gedaante krijgt. Dat kan toch nooit ter nagedachtenis aan Lodewijk gedaan zijn? Wij zitten dan in de tijd van Louis VI (1081-1137), toegenaamd ‘de Vette’ en diens zoon en opvolger Louis VII (1120-1180), toegenaamd ‘de Jonge’, de ongelukkige echtgenoot van Eleonora van Aquitania. Die mensen hadden heel andere dingen aan hun hoofd, de Kruistochten bijvoorbeeld. Anders dan zijn vader Karel, van wie men geloofde dat hij een gewapende bedevaart naar Jeruzalem gemaakt had en beladen met relikwieën was teruggekeerd, was Lodewijk de Vrome militair gezien een brekebeen. Iemand die het rijk van zijn vader uiteen had laten vallen. Iemand over wie het gerucht gaat dat hij in een vlaag van vroomheid het handschrift met daarin de Frankische heldenliederen dat zijn vader had laten compileren, in de open haard gegooid heeft. Kortom, iemand zonder voorbeeldfunctie.

Voorzover mij bekend kwam de eland niet in het Frankenrijk ten westen van de Rijn voor. Het dier had als habitat Oost- en Noordoost-Europa. Julius Caesar schrijft in Commentarii de bello gallico (6, 27) over de eland:

There are also [animals] which are called elks. The shape of these, and the varied color of their skins, is much like roes, but in size they surpass them a little and are destitute of horns, and have legs without joints and ligatures; nor do they lie down for the purpose of rest, nor, if they have been thrown down by any accident, can they raise or lift themselves up. Trees serve as beds to them; they lean themselves against them, and thus reclining only slightly, they take their rest; when the huntsmen have discovered from the footsteps of these animals whither they are accustomed to betake themselves, they either undermine all the trees at the roots, or cut into them so far that the upper part of the trees may appear to be left standing. When they have leant upon them, according to their habit, they knock down by their weight the unsupported trees, and fall down themselves along with them. (bron: Wikipedia)

Dit lijkt op wat Plinius de Oudere (23-79) over de eland schreef in zijn Naturalis historia (8, 39):

[…] there is, also, the elk, which strongly resembles our steers, except that it is distinguished by the length of the ears and of the neck. There is also the achlis, which is produced in the land of Scandinavia; it has never been seen in this city, although we have had descriptions of it from many persons; it is not unlike the elk, but has no joints in the hind leg. Hence, it never lies down, but reclines against a tree while it sleeps; it can only be taken by previously cutting into the tree, and thus laying a trap for it, as otherwise, it would escape through its swiftness. Its upper lip is so extremely large, for which reason it is obliged to go backwards when grazing; otherwise, by moving onwards, the lip would get doubled up. (bron: Wikipedia)

De overbeet en het achteruit grazen is dus geen ‘middeleeuwse’ wetenschap, maar antieke. Feit is dat het gezag van de antieken gedurende de Middeleeuwen groot genoeg was om geloof aan hun observaties te hechten. In Der naturen bloeme schrijft Jacob van M(a)erlant, zich baserend op Thomas van Cantimpré, over de eland:

De Alches in Hs. KB Den Haag, KA XVI

Alches, als ons Solinus seghet,
dar wonder oec groot in leghet,
es .i. dier dat bi garse levet,
dat d’upperste lep so lanc evet,
eist dat eten begard
so moet gaen achterward,
dat doen sine lippe lanc.
Sondare, doe weder dinen ganc
te levene ter onnoselleden
ende beghef ter vullicheden
ende mac reine dinen moet
oftu wils wesen yvoed
metter spise dar God of sprect,
die altoes nemmermeer ybreect.
Dine langhe lippe, din quade bec
hevet di brocht in sulc .i. strec:
gaestu vord, du blives doet
in die ewelike nood (1083-1100)

Met andere woorden, volgens Solinus (derde eeuw) heeft de eland zo’n lange bovenlip dat hij achteruit lopend moet eten. Of hij daardoor minder gras eet dan viervoeters die vooruit grazen, staat hier niet, en heb ik ook nergens kunnen vinden. De lering die wij uit het gedrag van de eland kunnen trekken is dat wij zondaren ons van de zonde(n) moeten terugtrekken en niet daarin volharden door vooruit te gaan.

De eerder genoemde Hrabanus Maurus heeft ook een bestiarium op zijn naam staan. Maar de geleerdste man van zijn tijd vermeldt daarin geen eland. Hetzelfde geldt voor zijn encyclopedie De rerum naturis alias De universo. De eland komt daarin maar één keer terloops ter sprake.

Verder zoeken leidde mij naar de website van N. Koomen, en daar vond ik een citaat uit Das buch der Natur van Konrad von Megenberg:

VON DEM ALCHES.

Alches ist ain tier, sam [zoals] Plinius spricht und auch Solînus, daz hinder sich gêt, wenne ez sein waid [voedsel] suochet an den kräutern. Daz bedäut die menschen, die daz niden an den füezen anhebent, daz si an dem haupt sôlten anvâhen, sam etleich, die wellent ê contemplieren und jubilieren oder frôlocken in der götleichen güeten, ê si wainen umb ir sünd, und sam die schuoler, die ê maister wellent sin denn junger.

Parafrase: De eland is symbolisch voor mensen die de koe niet bij de horens vatten, maar bij de poten. Zij willen goddelijk geluk zonder eerst hun zonden te bewenen. Zij lijken op studenten die meester willen zijn zonder daarvoor eerst te studeren.

Een vergelijkbare interpretatie, een resultaat wensen zonder daarvoor te werken, ben ik op mijn zoektocht nog eens tegengekomen, maar kan ik helaas niet meer terugvinden.

Met middeleeuwse afbeeldingen is het vaak oppassen geblazen. Wat je denkt te zien, is lang niet altijd wat het is. Afbeeldingen in middeleeuwse handschriften zijn geen foto’s. Meestal heb je de begeleidende tekst nodig om goed te begrijpen wat je ziet. In dit geval is die er. Ik heb op het Internet een paar on-line edities van De laudibus sancte crucis gevonden en naar de bewuste bladzijde gezocht. In handschriften is de verklarende tekst moeilijk leesbaar, maar dezelfde als in een laat-middeleeuwse druk, die ter verdere verduidelijking eraan toevoegt: “XV. figura: De quattor euangelistis et agno, in Crucis specie constitutis.” Oftewel: over de vier evangelisten en het lam (Gods) in de vorm van een kruis. De eland van Pleij is een lam met een aureool ten teken van heiligheid. Een eland met een aureool is ondenkbaar.

Omdat plaatjes duiden een vak apart is, heb ik een bevriende kunsthistorica (Martine Meuwese) in de arm genomen, die mij doorverwees naar een expert, Bill Schipper, en die schreef mij terug:

About 80 copies of this text have  survived, a number of them from the ninth century, and from Hrabanus’s own life time. The cycle of poems was probably completed around 810/814 (there is internal evidence for this in the form of a letter from Hrabanus to a friend asking him to read and comment on the text). The very earliest copies have not survived, but to the best of my knowledge, Vat. Reg. lat. 124 is the earliest surviving copy. It was made around the year 830, and contains some corrections in Hrabanus’ own hand. Facsimiles of all the images (in colour) are available in CC CM 100A (a folder accompanying Michel Perrin’s edition of the text). There are other copies now in Amiens, Paris, Lyons, Strassbourg, Vienna, and Turin. I have looked at the Reg. lat. copy of Carmen 15 (the four evangelists). The central animal (the “agnus dei”) does not look particularly like a sheep, nor an elk, but its horns are those of a sheep like creature. Hrabanus identifies it clearly in the prose explication (Perrin 1997, p. 126, line 107-9): “Agnus quippe, qui in medio stat, habet in capite et in cornibus scriptum: SEPTEM SPIRITVS DEI.” One cannot expect pictorial verisimilitude from a ninth century miniature, and the fact that it has seven horns (an odd number for an animal, whether elk or sheep), in accordance with the agnus dei description in the Apocalypse seems to make clear that Hrabanus has that particular animal in mind, not an elk associated with Louis the Pious. I can find no textual or visual evidence for that suggestion.

Graag bespaar ik u de moeite deze passage zelf op te zoeken. Hier is zij in De Nieuwe Bijbelvertaling (5, 1-6):

Toen zag ik dit: degene die op de troon zat had in zijn rechterhand een boekrol die aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld. Ik zag een machtige engel die met luide stem uitriep: “Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?” Maar er was niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien. Het deed me veel verdriet dat blijkbaar niemand het verdiende om de boekrol te openen en hem in te zien. Toen zei een van de oudsten tegen mij: “Wees niet verdrietig. Want de leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft de overwinning behaald, en daarom mag hij de boekrol met de zeven zegels openen.” Midden voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten, zag ik een lam staan. Het zag eruit alsof het geslacht was en het had zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd.

Martine Meuwese bezorgde mij een afbeelding uit de zogeheten Bamberger Apocalyps (ca. 1000), met daarin een veel duidelijker afbeelding van het gehoornde, apocalyptische lam:

In een tijd waarin obesitas volksvijand nummer 1 dreigt te gaan worden, is het merkwaardig om zich vrolijk te maken over de veronderstelde vraatzucht van Merovingers en Karolingers. Wat weten wij eigenlijk van hun eetgewoonten en van de hoeveelheden voedsel die zij naar binnen werkten? Waar haalt Pleij het dieet van Karel de Grote vandaan?

De middeleeuwse eetcultuur was een heel andere dan de onze. Om te beginnen was men er lang niet altijd zeker van dat er te eten was. Misoogsten, natuurrampen, opzettelijke verwoesting tijdens oorlogsgeweld, konden mensen onverwacht van hun voedselvoorraad beroven. Ten tijde van Lodewijk aten mensen ‘vooruit’. Zij zorgden ervoor dat zij voldoende vet op de botten hadden om een voedseldip en de lange winter te kunnen overleven. Met onmatigheid heeft dit niets te maken, alles met verstandig voorraadbeheer. Middeleeuwse mensen leefden veel fysieker dan wij en verbruikten veel meer calorieën. Zij woonden in huizen zonder centrale verwarming.
Ook was Lodewijk zeker niet de eerste die zich tegen vraatzucht afzette – als hij dat al deed – de kerkvaders gingen hem voor. Deze tot het christendom bekeerde Romeinen ergerden zich groen en geel aan het in hun ogen wufte gedrag van hun heidense familieleden, doet er niet toe of dat ging om huwelijk en seks, eten of drinken, kleding of vermaak, baden of sporten. Lees bijvoorbeeld de brieven van Hieronymus, waarin hij aanspoorde tot kuisheid, maagdelijkheid, soberheid enzovoort. Lees de Gulden legende, waarin onze Sinterklaas als een schoolvoorbeeld van matigheid wordt geportretteerd: als zuigeling dronk hij maar twee borsten per dag en tijdens vastendagen slechts één borst. Dacht u nu echt dat Romeinen na de maaltijd met een ganzenveer zichzelf deden braken om nog een keer te kunnen eten? Probeer dat zelf eerst eens voordat u dat gelooft!
Los hiervan: eten was allesbehalve ongevaarlijk. Je kon niet eten wat je wilde, maar was afhankelijk van wat er aan eten was. Een kok werkte destijds niet à la carte, maar trachtte uit het aanbod aan voedsel eetbare gerechten te maken. Gedurende de zomermaanden zal dat niet al te moeilijk geweest zijn, maar ’s winters zou ik niet graag aan tafel aanschuiven. Ziekte als gevolg van eenzijdig, bedorven of niet goed bereid voedsel was niet ongewoon. Waar veel mensen bij elkaar woonden, was waterverontreiniging een serieus probleem. En dan hebben wij het nog niet eens over de makkelijkste manier om iemand van het leven te beroven: vergiftiging. Vandaar ook al die edelstenen die je ziet op afbeeldingen in middeleeuwse handschriften van chique banketten. Die zijn er niet voor de pronk, maar voor hun magisch vermogen vergif te ontdekken.

Netjes eten was een hoeksteen van de Romeinse beschaving, en de Middeleeuwen namen dit concept naadloos over. Er zijn, ook in het Middelnederlands, veel voorschriften te vinden die jonge mensen op het hart drukken om zich aan tafel te gedragen, zoals: Maak van je brood geen Bartholomeus! In de Gulden legende kun je lezen dat het graf van deze apostel aan gruzelementen geslagen werd toen de Saracenen het eiland Lipari veroverden en de brokstukken over heel het eiland verspreidden. Briljant was ook de vondst om gemengd te eten, al weet ik niet wanneer men daarmee begonnen is: adolescente jongens en meisjes aan één tafel, wat de jongens dwong zich hoofs te gedragen.

Over Lodewijk de Vrome bestaat bij mijn weten geen eigentijdse biografie. Over Karel wél. Daarnaast bestaat er een Latijnse biografie, de Historia Karoli Magni et Rotholandi, over Karel, die in de loop van de twaalfde eeuw geschreven werd door een anonymus die zich uitgaf voor bisschop Turpin / Turpijn, de bisschop die ten tijde van Karel zetelde in Reims. De zogeheten Pseudo-Turpin is een apokrief boek en heeft zo goed als helemaal niets met de historische werkelijkheid te maken. Herman Pleij weet dit, of behoort dit te weten. Hij houdt zijn publiek voor het lapje door te doen alsof het waar is wat Pseudo-Turpin over Karel schrijft, wat door Jacob van M(a)erlant haast woordelijk wordt overgenomen in zijn Spiegel historiael, Partie IV, boek I, capittel II:

Turpijn, de aartsbisschop van Reims, die nooit iets over iemand schreef of het was waar, informeert ons over Karels uiterlijk en zijn gewoonten: Hij zegt ons naar waarheid dat Karel fors en rijzig was, en dat hij een angstaanjagende blik had. Ook vertelt hij ons dat hij heel lange voeten had. Bovendien dat deze grote man zowel acht voet lang was, als acht voet in zijn omtrek. Rond zijn middel was hij breed en dik, geheel in overeenstemming met de rest van zijn lichaam, met dikke armen en benen. Men vond in die tijd geen ridder die zo goed kon vechten, noch zo dapper, noch zo slim. Zijn gezicht was een voet breed, en anderhalve (voet) lang. Zijn neus was een halve voet lang. Zijn baard, die hem een mannelijk uiterlijk gaf, was een halve voet lang. Zijn voorhoofd was een voet breed. Zijn ogen zagen eruit alsof het leeuwenogen waren, en zij fonkelden alsof het robijnen waren. Zijn wenkbrauwen waren een halve (hand)palm lang. Als hij boos was, en hij keek iemand aan dan was er niemand, hoe dapper of aanzienlijk ook, die dan niet door vrees bevangen werd. Rond zijn middel mat zijn omtrek acht voet. Zijn gordel was (dus) net zo lang, de gesp niet meegerekend. Brood at hij nauwelijks, maar hij at wel in zijn eentje een kwart bok, of twee hele kapoenen, of een gans, in één keer, of een (varkens)schouder, of een pauw of een kraanvogel, of een haas, net waar hij trek in had. (mijn vertaling, WK).

Ooit heb ik in een van mijn groepen een volwassen student gehad die qua lichaamsbouw kolossaal was. Omdat een passage in Karel ende Elegast alleen maar goed begrepen kan worden als je de Pseudo-Turpin ernaast legt, liet ik studenten bovenstaande tekst lezen. Om de studenten een indruk te geven van hoe (ongelooflijk) groot Karel de Grote was, volgens Pseudo-Turpin, hebben wij de maat genomen van deze reusachtige student, en Karel bleek nóg een maat groter. Als je je dat als middeleeuws publiek realiseert dan at Karel voor iemand van zijn postuur absoluut niet overdreven veel. Uit niets blijkt een afkeurende toon van de auteur. Integendeel, hij benadrukt Karels matigheid aan tafel:

Hij was heel matig met wijn drinken, en die dronk hij (aangelengd) met bronwater. Zelden dronk hij tijdens het eten meer dan drie slokken. (mijn vertaling, WK)

Dankzij zijn goede eetlust verkeerde Karel in een ongelooflijk goede conditie:

Zo sterk was hij in de strijd, dat het hem meer dan eens gebeurde, dat hij een ridder van kop tot kont kloofde, en met diezelfde zwaardslag ook het paard doormidden sloeg! Vier kromme hoefijzers kon hij tegelijk rechtbuigen. Ook kon hij een gewapende ridder, die op een van zijn handen stond, optillen tot hoofdhoogte. (mijn vertaling, WK)

Dat Karel matig was met wijn wist Pseudo-Turpin uit een echte biografie van Karel de Grote, geschreven door de monnik Einhardus, die hem goed gekend heeft. Natuurlijk werd het portret van Karel (sterk) beïnvloed door Einhardus’ kennis van de Romeinse auteur Suetonius, die de levens van de Romeinse keizers boekstaafde, maar het portret lijkt waarachtig:

Charles was temperate in eating, and particularly so in drinking, for he abominated drunkenness in anybody, much more in himself and those of his household; but he could not easily abstain from food, and often complained that fasts injured his health. He very rarely gave entertainments, only on great feast-days, and then to large numbers of people. His meals ordinarily consisted of four courses, not counting the roast, which his huntsmen used to bring in on the spit; he was more fond of this than of any other dish. While at table, he listened to reading or music. The subjects of the readings were the stories and deeds of olden time: he was fond, too, of St. Augustine’s books, and especially of the one entitled The City of God. He was so moderate in the use of wine and all sorts of drink that he rarely allowed himself more than three cups in the course of a meal. In summer after the midday meal, he would eat some fruit, drain a single cup, put off his clothes and shoes, just as he did for the night, and rest for two or three hours. (bron: Internet)

Er is kortom geen enkele reden Karel weg te zetten als een vraatzuchtig man en hem barbaarse tafelmanieren aan te wrijven. Daar kun je leuk mee scoren bij een onwetend publiek dat zichzelf superieur waant ten opzichte van die gekke Middeleeuwers, maar met wetenschap heeft dit m.i. (te) weinig te maken.

Bij wijze van toetje nog iets over de verandering van eetgewoonten gedurende de Middeleeuwen. Als in Vanden vos reynaerde de haan Cantecler zijn dochters beschrijft, dan zijn zij “vet ende starc”. Zo hoor je eruit te zien. Dat is gezond en een teken van welvaart.
Nadat de Noormannen halverwege de elfde eeuw hun agressieve immigratie staakten, kwam er vrede in het Frankenrijk. Een eeuw later was er een periode van ongekende bloei, die wij de Renaissance van de Twaalfde Eeuw noemen. Kennelijk was de voedselvoorziening in hogere kringen zo stabiel dat vrouwen het zich konden en durfden te veroorloven om anders en minder te gaan eten. Dit had grote gevolgen voor het modebeeld. Vrouwen ten tijde van Karel en Lodewijk hadden een lichaamsbouw die zich het best laat vergelijken met een wigwam. In de twaalfde eeuw kwam daar een baanbrekende verandering in: de taille werd uitgevonden. Voor het eerst gingen vrouwen in hoge kringen een accent aanbrengen tussen hun bovenlichaam en hun onderlichaam. Slankheid en tengerheid als schoonheidsideaal doen hun intrede. Kleine borsten kwamen in de mode, grote borsten was boers.
Uit deze tijd dateren ook de eerste verhalen over anorexia, maar dat betreft dan altijd religieuze vrouwen.